Wikia


Dit is onze ff over Daskit (perspectief Zonnepoot) en Taankit (perspectief Donkerpoot)


De Lichtclan is de enige clan in het woud. Ze vechten tegen zwerfkatten, vossen en dassen. Er is al een tijd niks meer gebeurd. Zoals elk jaar worden er nieuwe kittens geboren en zo ook Daskit en Taankit. Ze zijn zo goed bevriend met elkaar dat ze wel broertjes lijken. Maar als Taankits broertje Eikenkit door een ongeluk van Daskit om het leven komt, wordt alles anders en stort de vriendschap ineen.

Beautiful-Cat-cats-16095933-1280-800

Deze pagina is goedgekeurd!

Wraak voorkant.

de zelfgetekende voorkant (door Zonnepoot), de kat die erop staat is Taankit

Duo

Veel plezier met lezen, Zonnepoot en Donkerpoot <3

Kladversie

Dit is een kladpagina.

Voorkant Wraak

Dit is de voorkant van het boek, gemaakt door Donkerpoot


Lichtclan:

Leider:

Rookster; grote langharige zwartgrijze kater.


Commandant:

Appelvacht; mooie witte poes met rode vlekken.


Medicijnkat:

Zilvertand; langharige zilvergrijze kater.


Krijgers:

Beukneus; grote vriendelijke bruine kater met een lichtere buik en poten. (Leerling: Wilgpoot)

Druppelwolk; blauwgrijze poes met een wit puntje aan haar staart en blauwe ogen.

Snelstroom; kleine zwart-witte kater. (Leerling: Groenpoot)

Vleermuistand; grote, sterke, gespierde zwarte kater met scherpe klauwen. (Leerling: Roodpoot)

Sterrenpels; lapjespoes met veel wit. (Leerling: Wolkpoot)

Eenvleugel; bruine cyperse poes met witte plekken.

Steenvoet; donkergrijze kater met grote voeten. (Leerling: Regenpoot)

Uilenvlucht; oude donkerbruine poes met heldere ogen.


Leerlingen:

Groenpoot; wit poesje met bladgroene ogen.

Wolkpoot; lichtgrijs katertje met groene ogen.

Wilgpoot; grijs cypers poesje met een witte buik.

Roodpoot; vlammend rood katertje, hij mist het topje van zijn staart.

Regenpoot; zwart katertje met een grijzige staart.


Moederkatten:

Lichtroos; lapjespoes met groene ogen (Kits: Daskit, Bloemkit en Witkit).

Schaduwglans; lichtrode poes met zwartige vlekken (Kits: Helderkit, Taankit en Eikenkit)

Dampneus; slanke grijze poes (kit: Forelkit)


Kittens:

Daskit; koppig zwart-wit katertje met groene ogen.

Bloemkit; klein, wild lapjespoesje.

Witkit; langharig wit katertje.

Helderkit; goudkleurig poesje.

Taankit; schriel lichtbruin katertje met donkere ogen.

Eikenkit; zwak, klein donkerbruine katertje.

Forelkit; klein lichtgrijs poesje.


Katten en andere dieren buiten de clan:

Vos; rode kater waarmee de clan een afspraak heeft dat hij in hun territorium mag jagen.

Amber; langharige lapjespoes.

Koby; vrolijke, zwartwit gevlekte kater met een regenboogkleurige halsband.

Proloog

Speelse kreten klonken door het kamp. Twee kittens waren met elkaar aan het spelen. Wanneer de een de ander een zachte tik op zijn oor gaf, lachten ze even en zo gingen ze door. Verderop zat twee moederkatten liefdevol naar de kits te kijken. Het bruine katertje rende luid roepend naar zijn moeder toe. “Schaduwglans! Schaduwglans! Zag je hoe ik Daskit een tik op zijn oor gaf?” “Ja, Taankit dat zag ik. Maar doen jullie elkaar geen pijn?” “Natuurlijk niet, Schaduwpels. Toch, Daskit?” “Nee. We oefenen alleen maar voor als de zwerfkatten aanvallen. Lichtroos heeft zelf gezegd dat dat gaat gebeuren.” De moederkat naast Schaduwglans keek Daskit aan. “Nee, Daskit, dat heb ik niet gezegd. Ik zei dat we moeten oppassen dat het niet gebeurd.” “Nou ja,” kwam Taankit tussenbeide. “We oefenen gewoon. Je weet maar nooit.” Vacht aan vacht liepen de twee kittens weg. “Wat zijn ze toch lief hè.”, mauwde Lichtroos tegen Schaduwglans. “Ja.”, mauwde die terug. “Ze zijn echt altijd samen. Het zou me niet verbazen als ze voor altijd beste vrienden blijven.” Lichtroos knikte.

Het was rustig in de kraamkamer. Ineens kwamen er twee balletjes vacht naar binnen gerold. Taankit sprong overeind en bevrijdde zijn maatje van een tak. “Kom,” fluisterde hij. “Laten we net doen alsof de zwerfkatten aanvallen.” “Ja, dat is een goed idee!” Daskit sloop dichterbij de andere kits. Taankit en Daskit keken elkaar aan en op hetzelfde moment begon ze keihard te schreeuwen. “Help!” “Ze zijn er!” “De zwerfkatten!” Alle kits sprongen geschrokken overeind en drongen elkaar aan de kant om als eerste buiten te zijn. Daskit en Taankit lachten. Maar aan een ding hadden ze niet gedacht. Dampneus lag ook nog in de kraamkamer. Ze pakte de kittens in hun nekvel en liep naar buiten. Daar zette ze hen neer en keek hen boos aan. Lichtroos en Schaduwglans kwamen eraan gerend en terwijl Dampneus de bange kittens kalmeerde, kregen Daskit en Taankit een uitbrander van de overige twee moederkatten.

“Pfff.” Taankit zuchtte. “Nu moeten we de rest van de dag binnen zitten.” “Niet als we ontsnappen.” “Huh?” “Nou,” legde Daskit uit. “Met dit warme weer zit toch iedereen lekker buiten. Ze zullen het vast niet merken als we ervandoor gaan. We maken met onze klauwen gewoon een gat in de wand en daar gaan we er dan uit. Het enige probleem is dat Lichtroos en Schaduwglans om de beurt komen kijken of wij nog wel zijn waar we horen te zijn.” “Wacht eens! De vorige keer kwamen ze maar twee keer kijken. Als we ervoor zorgen dat we in stukjes weggaan, zou het wel eens kunnen werken!” Meteen trippelden de kittens naar de achterste wand toen en begonnen een gat te klauwen. Toen er een groot genoeg gat was ontstaan, kropen ze een voor een naar buiten en begonnen achter de kraamkamer aan hun vechttechnieken te werken.

“Taankit! Daskit!” Taankit en Daskit keken elkaar geschrokken aan. Ze waren te lang weg gebleven en nu werden ze gezocht door Schaduwglans en Lichtroos. Snel spurtten ze weg bij het gat in de wand. Ze renden zo hard als ze konden in de richting van het medicijnhol. Bijna botsten ze tegen Zilvertand op, die een pakje kruiden droeg. “Passen jullie op, kleintjes?”, mompelde hij om het pakketje heen. De kittens knikten haastig en renden naar binnen. Maar ze waren niet snel genoeg. Vanuit het niets sprong Vleermuistand op hun pad. Hij pakte ze vliegensvlug op en bracht ze terug naar hun moeders. “Volgens mij zijn dit de kittens die jullie zochten.”, zei hij, terwijl hij Daskit en Taankit neerzette. “Oh, gelukkig, je hebt ze gevonden.”, mauwde Lichtroos Schaduwglans knikte instemmend. “We waren al bang dat we ze kwijt waren.” Ze wendde zich tot de kittens. “En aangezien het niet werkt om jullie te straffen, mogen jullie buiten blijven.” “Yes!”, riepen Taankit en Daskit in koor “Maar,” vervolgde Schaduwglans. “Als jullie nog eens zo’n streek uithalen, regel ik een oppas voor jullie.” Taankit en Daskit knikten braaf. Ze hadden alles behalve zin in een oppas.

Hoofdstuk 1

Daskit werd wakker naast het warme lichaam van zijn moeder, het was nu nog koud maar tegen zonhoog zou de nieuwbladzon de wereld al weer verwarmd hebben. Hij stond op, rekte zich uit en struikelde bijna over zijn broertje en zusje terwijl hij naar Taankit toeliep. Taankits lichaam ging rustig op en neer, hij sliep nog. Daskit maakte zich klaar om op hem te springen, hij lanceerde zichzelf de lucht in met als bedoeling om op Taankit te landen. Een stel tanden boorde zich diep in zijn nekvel en trokken hem weg van de slapende Taankit, Schaduwglans, Taankits moeder had hem te pakken. Waarom had ik niet gekeken of zij ook nog sliep?, dacht hij bij zichzelf toen Schaduwglans heb buiten neerzette. 'Ga jij daar maar lekker buiten spelen' mauwde ze en Daskit stond alleen op de openplek.

Daskit verveelde zich, de enige katten die al wakker waren, waren net met de Dageraadpatrouille vertrokken. De zon klom steeds hoger aan de hemel en de katten kwamen nu stuk voor stuk uit hun holen gelopen. Hij keek rond en zag dat een paar katten nu ook wakker begonnen te worden. Er vormde zich een plannetje in Daskits hoofd hij sloop naar Eenvleugel die net wakker was en sprong met een grauw bovenop haar. Taankit stak net zijn slaperige kopje uit de kraamkamer, toen hij zag wat Daskit aan het doen was, hij spurtte de openplek over en sprong ook op Eenvleugels rug. De krijger probeerde lachend de twee kittens van zich af te gooien, Daskit en Taankit plofte naast elkaar in het zand. Witkit en Bloemkit waren wakker geworden en samen met Helderkit liepen zij naar Daskit en Taankit toe. 'Kijk een Vlinder!' riep Witkit en hij deed meteen een uithaal naar het beestje, de vlinder vladderde net buiten zijn bereik en hij mistte het beest op een haartje. Het is jammer dat Eikkit en Forelkit niet mee kunnen spelen, dacht Daskit terwijl hij zelf ook een sprong waagde. Het broertje van Taankit was nog te zwak om buiten te spelen en Forelkit had haar oogjes nog niet open, uit zijn ooghoek zag hij Taankit ook een sprong maken en weer vladderde de vlinder weg. Ik krijg je wel! Daskit sprong met al zijn kracht naar de vinder en hij had hem te pakken. Hij rende er meteen mee naar de kraamkamer om hem aan Lichtroos te laten zien, Taankit volgde hem op zijn hielen.

De kittens stormde de kraamkamer binnen, 'Lichtroos! Lichtroos!' riep Daskit opgewonden, hij wilde de vlinder zo snel mogelijk aan zijn moeder laten zien. Hij spotte zijn moeder achterin de kraamkamer en rende met een rotvaart op haar af zonder te kijken waar zijn poten gingen. Hij was nu bijna bij zijn moeder en hij knalde vol tegen Eikkit aan, Taankit bleef bij zijn broertje om te kijken hoe het ging en Daskit rende weer verder. Hij gleed nog een stukje door toen hij voor zijn moeder stopte, 'kijk, kijk' mauwde hij opgewonden. Er kwam geen goedkeuring uit de mond van zijn moeder, alleen een ijzingwekkende kreet. Daskit keen achterom en zijn blik kruiste die van Taankit, hij zag alleen maar haat in zijn ogen. Wat zou er aan de hand zijn? dacht hij nieuwsgierig, hij keek naar Eikenkit en zag dat het katertje dood op de grond lag.

Hoofdstuk 2

“J-jij…” Taankit kreeg de woorden met moeite uit zijn mond. “Jij h-hebt Ei-eikenkit vermoord-d!” Daskit keek hem ongelovig aan, alsof hij dacht dat Taankit loog. “Ik.. ik… het was niet mijn bedoeling!” Taankit hoorde het nog maar vaag. Ze waren bijna klaar om leerlingen te worden en Eikkit betekende alles voor hem. Taankit draaide zich om. Hij rende met grote passen naar buiten en bleef midden op de open plek staan. Ineens voelde hij de vacht van Daskit tegen zijn vacht aan. Demonstratief draaide hij zijn rug naar hem toe. “Het was gewoon een ongeluk.” Wat zei hij daar? Dat was de druppel! Taankit draaide zich met een ruk om en staarde zijn vroegere beste vriend in zijn ogen. “het was geen ongeluk, jij hebt Eikenkit vermoord! En daar zal je voor boeten ook.” Het was eruit voor hij er erg in had. De spijt in de ogen van Daskit veranderde in woede. “Nou, als je niet wil luisteren, dan niet hoor!” Hij rende terug richting de kraamkamer. Taankit keek hem een beetje verloren na. Het was toch wel raar dat dit ongeluk hun vriendschap zo in een klap kapot kon maken.

Taankit lag te woelen in zijn slaap. Elke nacht opnieuw confronteerden zijn dromen hem ermee dat hij zijn beste vriend was verloren. Deze nacht was hij voor de zoveelste keer in hetzelfde woud. Het was er duister en kil en hij was altijd alleen. De eerste keer dat hij er was, dacht hij een lapjespoes te zien. Ze bleef daar maar zitten, naar hem kijkend. Toen ze zag dat ze zijn aandacht had, zei ze iets dat te zacht was om te verstaan. Taankit had haar na die keer nooit meer gezien. Zijn aandacht werd plotseling getrokken door een bijzonder uitziende kat. Hij had maar een halve staart en hij keek wazig om zich heen. Door zijn ogen zaten allerlei klauwen en Taankit vermoedde dat hij blind was. Voordat hij het doorhad was het woud verdwenen en lag hij in zijn eigen nest, tegen zijn moeder, Schaduwglans aan.

“Auw, Daskit!” Elke ochtend was het weer hetzelfde: Daskit was eerder wakker en stootte op zijn tocht naar buiten ‘per ongeluk’ tegen Taankit aan. Een deze keer ging hij niet eens naar buiten! Hij maakte een hartstikke onnodig rondje door de kraamkamer. Waarschijnlijk om te zien of iedereen nog leefde. Dat laatste klopte niet helemaal, want het zou Daskit waarschijnlijk beter uitkomen als Taankit dood was. Toen Daskit weer in zijn nest lag, stond Taankit op en liep naar buiten. Hij had echt even behoefte aan frisse lucht. Hij was over een halve maan gelukkig al leerling, en dan had hij een eigen mentor met wie hij vele dagen kon optrekken. Taankit kon bijna niet wachten tot hij leerling was: Gevechtstraining, jachttraining, het helpen van de clan. Het kon bijna niet beter. Behalve krijger zijn dan, maar het krijger zijn zou nog even moeten wachten. En tot die tijd kon hij in ieder geval zijn clan helpen, en dat was het beste wat hij kon doen. Hij kon dus maar beter meteen beginnen.

Taankit keek naar de hoop verse prooi. Kittens mochten er eigenlijk niks van pakken, maar de stapel was zo gegroeid, dat het vast niet erg was als hij maar één klein woelmuisje pakte. En daarbij, het was voor een goed doel. Hij klom omhoog, terwijl hij goed om zich heen keek of hij niet betrapt werd. Hopelijk krijg ik iets te pakken, dacht hij en hij zette zijn nagels in een eekhoorn. Terwijl hij zich omhoog hees, voelde hij de eekhoorn langzaam weg glijden. Oh, Sterrenclan, nee! Hij klauterde zo snel hij kon omhoog, tot hij bovenop de hoop stond. Wow, wat was het hoog! Hij kon zelfs het hol van de oudsten zien. Snel zocht hij op wat hij wilde hebben en hij klauterde snel weer naar beneden. Met de woelmuis aan een van zijn klauwen gehaakt, snelde hij de kraamkamer in. Hij zag dat Schaduwglans al wakker was, dus hij had het idee om haar te verrassen. Hij hupte op drie poten naar haar toe en legde de woelmuis voor haar neer. “Alsjeblieft, Schaduwglans. Helemaal zelf van de hoop verse prooi gevangen.” Zijn moeder keek verrast op. “Heb je die voor mij meegebracht?” Taankit knikte. “Ach, schatje toch. Wat ben je toch ook een lieverd.” Ze likte hem over zijn kop en nam een hap van de muis. Taankit voelde zich trots: Hij had de clan geholpen door alvast eten uit te delen én hij had zijn moeder blij gemaakt.


Hoofdstuk 3

Daskit droomde van de tijd dat hij en Taankit nog zij aan zij speelden en alles samen deelden, ze waren met een mosbal bezig en Snelstroom had hen een uitbrander gegeven omdat ze te wild bezig waren. Hij werd wakker van het geluid van onweer en het geschreeuw van Appelvacht; 'iedereen naar binnen!' klonk haar stem luid en helder over het terrein. Daskit rilde, het onweer hat alle warmte uit de kraamkamer gezogen. Pets! Een druppel viel op zijn kop en hij ontdekte een lek in het dak vlak boven zijn hoofd, Waarom moet dit mij altijd weer overkomen? dacht Daskit. Hij had iedere keer Taankit gewekt, zijn hoop dat hij dan een keertje moest lachen en dat hij dan zei dat het weer goed was werd met de dag minder. Daskit verschoof zich een beetje zodat het water niet meer op zijn hoofd lekte en een nieuwe lichtflits snel gevolgd door de donder verlichte de kraamkamer. Forelkit schoot met een bang gepiep overeind toen ze de donder hoorde, Dampneus werd niet wakker dus besloot hij het kleintje maar te gaan troosten.

'..ja, en hij was helemaal niet bang voor de donder..' de zon vulde de kraamkamer alweer terwijl Forelkit uitgebreid verslag van vorige nacht deed aan haar moeder. De enige sporen die het onweer van vorige nacht hadden achtergelaten waren diepe plassen op de openplek, Daskit stormde naar buiten om Taankit nat te spetteren die bij een van de plassen stond. Op het laatste moment stopte hij, hij twijfelde of het hiermee niet alleen maar erger werd. Terwijl Daskit daar stilstond werd hij een gemakkelijk doelwit voor Helderkit, zij had altijd jaloers naar Taankit en Daskit gekeken, want zij kon niet zo goed opschieten met Witkit of Bloemkit. Daskit schudde de druppels uit zijn vacht en sprong in de plas waardoor nu Helderkit ook helemaal nat werd. Haar vacht was bijna helemaal zwart, Daskit draaide zijn hoofd om en zag dat zijn vacht er ook niet al te best uitzag. Het is al vies, en erger kan het niet worden, dacht Daskit terwijl hij fanatiek verder ging. Hij keek om toen Rookster op de rots midden in het kamp sprong en riep: 'Laat alle katte die oud genoeg zijn om het kamp uit te gaan zich hier verzamelen voor een clanbijeenkomst!'

Daskit wist dat ze nog geen leerlingen zouden worden gemaakt, daar waren ze nog te jong voor. Hij was benieuwd waar het over ging en samen met Helderkit ging hij bij de andere katten zitten. 'Uilenvlucht heeft me laten weten dat ze zich te oud begint te voelen voor het leven van een krijger, ze heeft mij gevraagd om zich bij de oudsten te voegen'. Daskit zag dat Witkit en Taankit ook waren komen kijken, Wikkits vacht was ook meer zwart dan wit dor de modder. Daskit liep weer weg van de katten die zich verzameld hadden voor de vergadering Nu Uilenvleugel naar het oudstenhol gaat zijn er nog minder krijgers om zes leerlingen te trainen. Misschien moeten Taankit en ik wel met elkaar trainen en komt alles weer goed! Met die vrolijke gedachte begon hij zijn vacht wat te fatsoeneren, hij was bijna klaar toen een klein zilver poesje op hem afschoot en hem de modderpoel weer induwde. Hij keek boos om en zag dat Taankit naast een trotse Forelkit stond, Waarom moet hij toch zo flauw blijven doen? het was maar een ongeluk, Daskits vrolijke bui was even snel over als hij gekomen was.

Hoofdstuk 4

“Haha, je had Daskits gezicht moeten zien.” Taankit zat voor de kraamkamer te lachen met Forelkit en Helderkit. “Ik wilde dat ik erbij was geweest.”, beteuterd keek Helderkit naar de grond. Taankit voelde een steek van medelijden voor haar. “Ach, de volgende keer ben je er wel bij.”, troostte hij haar. Forelkit sprong op. “Ik weet niet hoe het met jullie zit, jongens, maar ik verga van de honger.” Helderkit knikte instemmend. “Ja, ik ook.” Taankit sprong op. “Wie als laatste bij de hoop verse prooi is, is een muizenbrein.” Met zijn drieën renden ze de open plek over. Helderkit en Taankit kwamen glijdend voor de hoop tot stilstand, maar Forelkit kon niet op tijd stoppen en belandde tussen de verse prooi. Ze barstten alle drie in lachen uit.

Nadat ze hadden gegeten, ging Forelkit slapen. “Ben je zenuwachtig?”, vroeg Helderkit. Taankit keek haar vragend aan. “Voor wat precies?” “Oh ja, dat weet jij natuurlijk niet.” Helderkit likte over haar poot en haalde die over haar oor. “Ik hoorde Rookster tegen Appelvacht zeggen dat hij ons twee al eerder leerlingen wilde maken, vanwege angst voor de zwerfkatten.” Terwijl ze dat zei, sprong Rookster op de Hogerots. “Laat alle katten die oud genoeg zijn om het kamp uit te gaan zich onder de Hogerots verzamelen voor een ceremonie!” Taankit besefte nu pas dat Helderkit er mooi, gewassen uitzag. Dat kon je van hem niet zeggen. Snel gaf hij zichzelf nog een wasbeurt. “Het is tijd om Helderkit en Taankit tot leerlingen te benoemen.”, begon Rookster. De twee kittens gingen trots rechtop staan. Taankit keek om zich heen, totdat hij het vriendelijk gezicht van zijn moeder zag.

Rookster wenkte Druppelwolk. “Druppelwolk, jij hebt jezelf al in talloze gevechten bewezen en het is tijd dat je je eigen leerling krijgt. Jij zal mentor worden van Helderpoot. Breng haar al je wijsheid toe en leer haar alles over het clanleven.” Druppelwolk knikte en raakte Helderpoots neus aan. “Eenvleugel, jij zal mentor worden van Taanpoot. Je bent een volleerd krijger en ik vertrouw erop dat je alles wat je weet aan je leerling overbrengt.” De clan dromde om de nieuwbakken leerlingen heen en feliciteerden hen. Taanpoot voelde een steek van verdriet. Eikenkit had er ook bij moeten zijn. Het was allemaal de schuld van die stomme Daskit. Gelukkig had Taanpoot nu een mentor en hij hoopte dat hij dan minder last had van zijn vroegere vriend.

“Taanpoot, Taanpoot, sta op!” Taanpoot draaide zich om. “Huh?” Ik ga je het woud laten zien, weet je nog? Nu wist Taanpoot het weer! Het was een dag na zijn leerling ceremonie en hij ging samen met zijn mentor, Eenvleugel het bos in. Hij sprong op en rende het hol uit, zich bewust van Eenvleugel, die haar leerling op zijn de hielen zat. Toen ze buiten stonden, legde Eenvleugel uit wat ze gingen doen. “We gaan vandaag het woud een beetje ontdekken, volg mij maar.” Toen ze door het gat in de wand liepen, draaide Taanpoot zijn kop om en zag Daskit jaloers naar hem kijken. Uitdagend stak Taanpoot zijn tong naar hem uit, en hij kreeg een nog bozere blik terug. Taanpoot had er nog niet zo over nagedacht, maar Daskit was ook de enige die hem niet was komen feliciteren na zijn ceremonie. Die verwaande kwast dacht ook alleen maar aan zichzelf.

“En dit is de knoestboom. Hij wordt zo genoemd vanwege de knoesten die op de boom zitten.” Taanpoot keek naar de boom, hij zag er vreemd uit, met al die gekke dingen aan de zijkant. “Zou je erop kunnen staan?” “Geen idee.” Eenvleugel lachte. “Je mag het van mij proberen, hoor.” Taanpoot zette heel voorzichtig zijn poot op het eerste uitsteeksel. Langzaam ging hij van knoest naar knoest, totdat hij bijna bovenaan kwam. Hij keek naar beneden. Eenvleugel was bijna net zo klein als de kleinste kitten. Taanpoot sprong omhoog, naar een uitstekende tak, maar hij schatte zijn sprong niet goed in en kwam met alleen zijn voorpoten op de tak terecht. Ver beneden hem hoorde hij Eenvleugel in paniek om hulp roepen. “Blijf je vasthouden!” Denk je dat ik van plan ben om los te laten dan? Hij klauwde zich steviger in de stam vast en probeerde zichzelf omhoog te hijsen. Ineens hoorde hij de tak gevaarlijk kraken en voor hij het wist, viel hij naar beneden. Oh, nee, nee, nee!

Hoofdstuk 5

Daskit keek hoe Eenvleugel de bewusteloze Taanpoot het kamp in droeg, 'wat zou er gebeurd zijn?' vroeg hij zich hardop af. Hij liep nieuwsgierig achter Eenvleugel aan, het leek wel alsof ze in tranen zou uitbarsten terwijl ze het medicijnhol binnenliep. Daskit bleef maar buiten staan, hij wilde ze binnen niet tot last zijn. Waarom ben ik nog geen leerling, dacht hij nijdig, hij was maar een kwartmaan jonger dan Taanpoot. Hij hoorde de stem van Zilvertand terwijl hij tegen Eenvleugel sprak; 'hij heeft geluk gehad, de meeste katten overleven zo'n val niet'. Was Taanpoot gevallen? Daskit verbaasde zich erover dat je jezelf dan zoveel pijn kon doen, hij voelde de vacht van Snelstroom naast zich, zijn vader probeerde hem zeker te troosten. Dat is niet nodig, dacht hij bij zichzelf, 'Als mij zoiets overkomt, heb ik zeker helemaal niks' zij hij stoer. Snelstroom lachte, Forelkit kwam aangehuppeld en vroeg: 'Word hij weer beter? 'Nee hij gaat sowieso dood' snauwde Daskit, hij was nog niet vergeten wat Forelkit had gedaan. Forelkit rende huilend naar Dampneus toe, 'moest dan nu weer?' klonk de boze stem van Snelstroom achter hem, hij negeerde zijn vader en rende naar de kraamkamer, hij wilde gewoon alleen zijn.

Hij keek om zich heen om weer wat rustiger te worden, alle vertrouwde dingen van de kraamkamer waren er. Schaduwglans had besloten om in de kraamkamer te blijven en zat haar vacht te wassen, Forelkit keek hem vuil aan terwijl ze probeerde een doorntakje los te krijgen en Witkit en Bloemkit waren buiten een schijngevecht tegen Groenpoot bezig. Waarom hield niemand van hem?, sinds het ongeluk vermeden zijn broertje en zusje hem, Forelkit was al even irritant en zelfs Lichtroos leek zich niet veel meer van hem aan te trekken. Helderpoot had voor even aardig geleken, maar nu zat ze met Taanpoot in het leerlingenhol terwijl hij zeker ieder moment van de dag tegen haar zij dat Daskit een stom muizenbrein was. Het leven was gewoon niet eerlijk, hij draaide zich om en zag Roodpoot binnenkomen met een bundel vers mos. Daskit kon zijn ogen nooit van zijn gekke staart afhouden, het was toch vreemd dat je door een training een deel van je staart kon verliezen. Niet zo vreemd als Vleermuistand je mentor is, dacht hij er nog achterna, die krijger trainde hem zeker zo erg dat je wel wat moest verliezen. 'Hou op!' Roodpoot zat hem al de hele zijd in zijn zij te porren en hij was het zat, 'dan maar geen nieuw mos' mauwde de vlammende leerling en hij liep de kraamkamer uit. Daskit zuchtte, draaide zich om en viel in slaap.

Lichtroos probeerde zijn vacht netjes te krijgen voor de ceremonie, wat bijna onmogelijk was omdat hij het zelf nooit verzorgde. Witkit huppelde zenuwachtig heen en weer terwijl Bloemkit ze stil zat als een steen, een heel harige steen, dacht Daskit er nog bij. Lichtroos had ook besloten om net zoals haar vriendin Schaduwglans in de kraamkamer te blijven, er was nu echt een overschot aan leerlingen, elke krijger had er een. Toen hij wakker werd had Daskit Zilvertand nog horen klagen dat er maar geen goede kandidaten voor zijn leerling waren. Zilvertand was na vandaag de enige zonder leerling, stiekem hoopte Daskit dat hij samen met Taanpoot moest trainen, dan zou hij misschien zeggen dat hij stom geweest was en dat ze weer vrienden konden zijn. Een oproep schudde hem wakker uit zijn gedachtewereld, 'Laat alle katten oud genoeg om het kamp uit te gaan hier komen voor een ceremonie!'.

Hoofdstuk 6

Taanpoot opende zijn ogen, knipperend tegen het felle licht. Waar was hij? Hij zweefde in het niets. Ineens werd de wereld om hem heen zwart en hij hoorde de vertrouwde stemmen van zijn clangenoten. Hij hoorde poten over een stenen ondergrond trippelen en hij vroeg zich af wie het was. “Taanpoot.” Taanpoot herkende de opgeluchte stem van Zilvertand. “Je bent gelukkig wakker.” “Wat is er gebeurd?” “Je bent uit een hoge boom gevallen. Ik was al even bang dat je het niet zou halen, maar Sterrenclanzijdank ben je wakker. Eenvleugel heeft je snel genoeg naar het kamp gedragen.” “Hoi, Taanpoot.” Taanpoot schrok. De stem van Eenvleugel klonk naast die van Zilvertand. “Ik ben blij dat je weer een beetje beter bent, en ik hoop dat we snel weer samen kunnen trainen.” Dat hoopte Taanpoot ook.

Er was een hele middag voorbij en Taanpoots zicht was nog niet verbeterd. Hij hoorde dat de Lichtclanmedicijnkat iets aan het doen was dicht bij de rand van de grot, hij raadde dat hij kruiden aan het sorteren was. “Zilvertand, sinds ik wakker ben zie ik niks anders dan zwart.” Zilvertand draaide zich om. “Ik weet niet of ik je zicht kan helpen, jonge Taanpoot.” ”Wat?” Taanpoot staarde Zilvertand aan alsof hij net had gezegd dat Taanpoot doodsbessen moest eten. “Maar ik ga er alles aan doen en tot die tijd kan je wel gewoon in het medicijnhol slapen, dat is makkelijker voor mij, dan kan ik je hier behandelen.” De wereld stortte ineen voor Taanpoot. Als hij nooit meer kon zien, betekende dat dan dat hij geen krijger meer kon worden? Toen hij klein was, ging hij wel eens naar de oudsten voor een verhaaltje, en ooit had hij het verhaal gehoord over Gaaiveder, die blind was geworden, maar toch heel graag krijger wilde worden. Hij volgde de training voor het leven van een krijger, maar uiteindelijk kon hij toch geen goede krijger worden en ging hij onvrijwillig in de leer voor medicijnkat. Zo wilde Taanpoot niet eindigen, hij wilde een krijger worden! Hij wilde vechten en prooi verzamelen voor zijn clan, niet de hele dag in een muf hol zitten, wachtend tot er zieke katten binnen kwamen.

Daspoot! Witpoot! Bloemkit! Taanpoots clangenoten scandeerden de naam van de drie jongen leerlingen. Taanpoot daarentegen was zo stil als een muis. Dit had hij niet zien aankomen, hadden zijn clangenoten dan niet allang door wat er speelde tussen hem en Daspoot? Rookster had nietsvermoedend Eenvleugel als mentor aangewezen voor haar tweede leerling, Daspoot! Dat betekende dus dat ze samen zouden moeten trainen. Het leek nu wel heel erg, maar misschien zou Daspoot zijn excuses wel aanbieden en dan zou alles weer goed komen. Hij hoorde poten roffelen op de aarde. Bloempoot kwam op hem afgelopen. “Gaat het alweer wat beter?” Taanpoot knikte afwezig. Hij hoopte stiekem wel dat het goed zou komen tussen Daspoot en hem. Nu is het klaar met die onzin, besloot hij en hij liep naar Daspoot toe. “Kom je even mee?”

Taanpoot ging Daspoot voor het kamp uit en ging op een rustig plekje zitten. Hij voelde de nieuwsgierigheid van Daspoots vacht afkomen. “Zeg,” begon hij voorzichtig. “Je weet natuurlijk dat we al een hele tijd ruzie hebben, en ik wilde even zeggen dat ik het nu echt genoeg vind. Ik bedoel, we zitten toch nog wel even met elkaar opgescheept nu we dezelfde mentor hebben. Ook al zullen we misschien nooit meer beste vrienden worden, we kunnen altijd nog normaal tegen elkaar blijven doen.” Het was helemaal stil. Ineens voelde Taanpoot Daspoots vacht tegen de zijne aan. Daspoot snorde. “Ik ben blij dat alles weer een beetje goed is.”


Hoofdstuk 7

Daspoot draaide zich om in zijn mosnest, nog heel even. 'Daspoot!' het geroep drong steeds meer tot zijn slaperige brein toe, hij deed zijn ogen open en keek recht in die van Eenvleugel. "Kom, training" zei ze kortaf, Daspoot liep naar buiten en zag dat Taanpoot al wakker was. Ze waren weer beste vrienden nu de ruzie eindelijk over was, vandaag zouden ze gaan jagen. Eenvleugel ging hen voor naar een open plek waar ze zouden beginnen, Daspoot keek om zich heen en rook meteen al een muis. Hij zou nog even moeten wachten voordat hij mocht jagen. "Jullie mogen beginnen" toen Eenvleugel dat zei, stormden ze allebei het bos in. Daspoot ging meteen achter de muis aan. Daar zat het beestje, hij vermoedde niet dat hij ieder moment hun maaltje kon worden. Daspoot ging in de sluiphouding hij kwam steeds dichter bij de muis en maakte zich klaar voor de beslissende sprong. Hij ging door zijn poten en lanceerde zichzelf de lucht in, hij knalde vol tegen Taanpoot aan die het ook op zijn muis gemunt had en bij de leerlingen hoorde het gegrinnik van Eenvleugel. "Kijk eerst of er niet nog een andere kat op je prooi jaagt" mauwde ze, Taanpoot keek hem vuil aan. Het is zijn schuld dat de muis weg is, ik heb helemaal niks gedaan! hij wist niet dat op het moment Taanpoot precies hetzelfde dacht.

Helderpoot had blijkbaar weer door dat de vijandigheid tussen haar broer en Daspoot weer waren toegenomen, ze sprak nooit meer met beide leerlingen tegelijk. Daspoot voelde zich altijd onzeker en wist niet wat hij moest zeggen als Helderpoot bij hem was, zij lachte dan altijd maar en hij voelde zich stom. Vandaag zou er eindelijk weer wat ruimte in het leerlingenhol komen, Groenpoot, Wilgpoot en Wolkpoot zouden krijgers worden. Dat zou Roodpoot leuk vinden, dacht hij grinnikend bij zichzelf, de rode leerling zat al de hele tijd achter Groenpoot aan en zij had ook al wel eens laten blijken dat zij hem ook wel zag zitten. Daspoot zat naast Witpoot buiten te wachten totdat Rookster de ceremonie zou beginnen, hij kwam zijn hol uit en sprong op de rots. Na de gebruikelijke oproep kwamen de drie leerlingen zenuwachtig naar voren, je werd natuurlijk niet elke dag krijger. Daspoots staart zwiepte geïrriteerd heen en weer toen Beukneus voor hem ging zitten, nu zag hij helemaal niks meer!

´..Dan zullen jullie namen nu Groenwilg, Wilgstroom en Wolksprong zijn!´ Daspoot had bijna niks van de ceremonie gezien en liep gefrustreerd terug naar het leerlingenhol. Hij wilde snel zijn, zodat hij het oude nest van Wolksprong kon claimen dat naast die van Helderpoot lag. hij ging het hol in en zag Taanpoot al in dat nest liggen, hij grijnsde vrolijk naar Daspoot en ging verder met het verhaal dat hij tegen Helderpoot aan het vertellen was. Daspoot liep naar buiten en botste frontaal tegen Groenwilg aan. "Problemen?" vroeg ze vrolijk. Daspoot keek naar de jonge krijger, Eindelijk iemand die mij kan helpen.


Hoofdstuk 8

“Wat zal ik lekker slapen in dit nest”, sloofde Taanpoot zich uit. Daspoot zat hem jaloers aan te kijken. Dan had hij maar geen ruzie uit moeten lokken door die muis te vangen. Daspoot wist gewoon dat Taanpoot zich op die muis aan het concentreren was. De teruggekomen vriendschap duurde maar twee dagen, of Daspoot moest het zo nodig weer verknallen. Taanpoot had allang door gehad dat Daspoot Helderpoot leuk vond. Hij verdiend haar niet! Het raarste was nog wel dat Helderpoot zelf helemaal niks door had van Daspoots liefdesgedrag. Eigenlijk was dat maar goed ook, want Daspoot mocht nooit een relatie krijgen met Taanpoots zusje.

“Haha, mooie vangst, muizenbrein.” Waarom moet dit mij nou weer overkomen? Taanpoot lag met zijn neus in de modder. Hij was een eekhoorn op het spoor geweest en had gesprongen, toen Daspoot eraan kwam stampen, waardoor de eekhoorn schrok en wegrende, een boom in. Taanpoots val werd gebroken door een modderpoel, en nu zat hij helemaal onder. Wat kon hij er nou aan doen dat zijn zicht nog niet helemaal verbeterd was? Daspoot stond voor zijn neus, leuk te doen met het konijn die hij had gevangen. Het was al zonhoog en Taanpoot had nog steeds niks. Steeds maar weer moest hij denken aan hoe verschrikkelijk het zou zijn als Daspoot een relatie zou krijgen met Helderpoot. Taanpoot hees zichzelf omhoog. De modder zoog aan zijn vacht en liet het voelen alsof hij telkens terug werd getrokken. Daspoot keek lachend toe. Hij draaide zich om toen de bosjes achter hen trilden. Bloempoot kwam eruit, samen met Witpoot, Druppelwolk en Snelstroom. De patrouille bleef even staan om het tafereel te bekijken: Taanpoot die hulpeloos spartelend om eruit te komen in een modderpoel lag en Daspoot die erbij zat met een mollig konijn voor zijn poten. Niemand lachte hardop, maar Taanpoot zag de snorharen van Bloempoot, Druppelwolk en Snelstroom trillen. Witpoot verhulde het wel heel slecht. Hij hield zijn poot voor zijn snuit, maar op een gegeven moment hield hij het niet meer en gierde het uit. Ook de rest van de patrouille lachte binnen de kortste keren mee.

“Hahaha! Wat heb jij nou weer gedaan?” “Hou je mond!” Forelkit week achteruit, geschrokken van Taanpoots felheid. Meteen had Taanpoot spijt. “Sorry.” mompelde hij zachtjes, maar Forelkit stoof al weg naar de kraamkamer. Taanpoot keek haar na, terwijl ze naar binnen ging. Hij voelde medelijden voor de jonge poes. Waarom moest hij nou altijd zo wreed doen? Hij schudde zich uit, toen Eenvleugel naar hem toe kwam. “Wat heb jij met Forelkit gedaan?” “Niks…” “Luister eens, Taanpoot: Je moet nu echt ophouden met die onzin. Je bent alleen maar jaloers op Daspoot omdat hij een konijn heeft gevangen. Neem eens een voorbeeld aan hem, hij is een geweldige leerling en gaat goed vooruit. Je moet wat meer op je training gaan focussen en wat minder op Bloempoot.” Taanpoot voelde de woede in hem opwellen, hoe durfde ze? Toen drong er iets tot hem door. Wat bedoelde ze met Bloempoot? Hij focuste dus echt niet op haar. Hij deed zijn mond open om te protesteren, maar Eenvleugel was al een eindje verderop, druk in gesprek met Beukneus en Snelstroom.

Het werd al avond, maar Taanpoot voelde zich nog allesbehalve moe. Hij besloot even een wandelingetje te maken buiten het kamp. Hij was nog steeds nijdig over wat er die middag was gebeurd, maar hij besloot om niet lang boos te blijven, dat zou zijn wandeling verpesten. Taanpoot ademde een teug frisse lucht in, die hem van al zijn zorgen verloste. Van blijheid maakte hij een hupje en hij liet zich door zijn poten leiden. Het begon met trippelen, maar ging al snel over naar een stevige draf en voordat hij het doorhad, rende hij zo snel door het bos dat hij de bomen aan weerszijden van hem voorbij zag flitsen. Zijn poten brachten hem ver van het kamp, naar de buitenste rand van het woud. Hij stopte pas toen er een grasvlakte voor hem opdoemde. Taanpoot keek over de groene vlakte. Zijn blik viel op een gedaante aan de overkant, balancerend op een hek. Hij sloop door het natte gras, niet gewend aan de blote hemel boven zijn kop. Toen hij halverwege was, besefte hij pas dat hij de geurlijn allang waas overgestoken. Nou ja, het kan nu toch geen kwaad meer. Bij elke stap wierp hij een blik achterom, hopend dat hij niet opgemerkt zou worden door een van zijn clangenoten. Hij was zo geconcentreerd op wat er achter hem gebeurde, dat hij niet oplette op de weg voor hem. Taanpoot schrok toen hij tegen iets aan knalde. Toen hij opkeek zag hij een geschrokken poes voor zich staan.

Hoofdstuk 9

Helaas lijdt Zonnepoot aan een ernstig geval van inspiratieloosheid, vandaar dus nog een hoofdstuk uit de ogen van Taanpoot.

Taanpoot knipperde met zijn ogen, waar kwam zij nou vandaan? “Hai, ik ben Amber, en wie ben jij?”, begroette de lapjespoes hem vriendelijk. Taanpoot glimlachte even, deze poes was allesbehalve bang. “Hallo, ik ben Taanpoot.” Amber keek hem achterdochtig aan. Jij ben een boskat, of niet? “Uh…” Deze vraag had Taanpoot niet verwacht, hoe wist Amber dat hij in het bos woonde? “Ja.”, bekende hij. “Maar hoe weet jij dat?” “Lang verhaal. Mag ik de clan zien?” Nu werd Taanpoot nóg nieuwsgieriger, wat moest Amber van zijn clan? “Alsjeblieft?”, drong ze aan. Taanpoot zuchtte: “Goed dan, kom maar mee.”

Taanpoot ging Amber voor het kamp in. Wat zouden zijn clangenoten wel niet zeggen als hij binnen kwam met een poes die hij nog niet eens één middag kende. Ineens leek het allemaal een heel slecht idee, maar hij kon nu niet meer terug. Amber stoof hem voorbij, waardoor haar lange vacht bijna aan de stekels hing. Snel rende Taanpoot achter haar aan, voordat ze onherstelbare schade aan zou richten. Hij kwam glijdend tot stilstand toen hij Amber zag, omsingeld door een patrouille die waarschijnlijk net terugkwam. Het waren Sterrenpels, Wolksprong, Vleermuistand en Roodpoot. Taanpoot hoorde poten over de grond roffelen en hij zag Appelvacht als een speer naar het hol van Rookster rennen. Oh nee, wat had Taanpoot gedaan?

Taanpoot zag de achterdocht in de ogen van Rookster toen de leider, steunend op Appelvacht, uit het leidershol kwam. Nu Taanpoot wat beter keek, zag hij dat Rookster als best oud was en nauwelijks meer normaal kon lopen. Halverwege de open plek liet hij de beduusde Appelvacht staan en liep zelf verder, tot hij vlak voor Amber stond, die duidelijk was geschrokken van al deze vijandigheid. “Wie ben jij?”, bromde Rookster en Amber antwoordde voorzichtig. “Amber, en.. uh.. wie ben jij?” “Ik ben Rookster.”, stelde de leider zichzelf voor. “Amber, kom je mee naar mijn hol?” Amber knikte. Muizenstront, nu zou Taanpoot het hele gesprek missen. Maar Rookster was nog niet uitgepraat. “Appelvacht en Sterrenpels, jullie komen mee. En jij ook, Taanpoot.” Taanpoot zuchtte opgelucht, hij was benieuwd naar Ambers uitleg, over waarom ze zo graag het kamp wilde zien. Ook was hij blij dat Rookster Appelvacht en Sterrenpels uit had gekozen om er nog meer bij te zijn. De twee poezen waren verstandig, maar zouden ook kunnen vechten als dat moest.

“Dus Amber, waarom ben jij hier en hoe heb jij het kamp kunnen vinden?” Taanpoot slikte even, hij was vergeten dat niemand nog wist dat Amber in het kamp was gekomen doordat hij haar erheen had geleid. “Nou”, begon Amber. “Ik was gewoon aan het lopen, toen ik Taanpoot tegen kwam. Ik was altijd al geïnteresseerd in het clanleven, dus ik smeekte hem of ik mee mocht naar het kamp. Eerst twijfelde hij, maar later zei hij ja, dus zo bracht hij me naar het kamp. Maar toen ik binnenkwam werd ik gelijk omsingeld door...”, ze twijfelde even, want Sterrenpels zat er ook bij. “Een groepje boze krijgers.” Rookster hield zijn kop schuin. “Maar, hoe weet jij van het clanleven af?” “Mijn moeders moeder was een Lichtclankat, ze heette Vlinderpels. Mijn moeder is ook in de clan geboren, maar zij moest vertrekken uit de clan, want Vlinderpels was verliefd geworden op een huiskat.” “En hoe heette je moeder?” “Lichtroos.” Amber keek de leider aan. “Ik ben geboren in een tweebeenplaats, maar ik voelde me daar niet thuis en ben weggegaan. Mijn moeder vertelde me dat ze me, als ik een krijger zou zijn, ik Amberhart zou heten.” Het was even stil in het hol, alsof iedereen nadacht. Ineens werd de stilte onderbroken door rumoer van de open plek.


Hoofdstuk 10

Daspoot zag Vleermuistand, met Roodpoot op sleeptouw naar het leidershol komen, de rode leerling was niet van plan om samen met zijn mentor naar binnen te gaan en hij glipte de menigte in, naast Daspoot. 'Vleermuistand vind dat er geen poesiepoesen meer bij de clan mogen komen, hij zei dat hij het Rookster en Appelvacht ging laten voelen'. Daspoot keek geschokt naar de leerling voor hem, 'Doet Vleermuistand altijd zo?' vroeg hij, Roodpoot knikte. 'Hij was degene die het puntje van mijn staart eraf heeft gebeten, ik lette even niet op tijdens de training en dat deed ik daarna nooit meer'. Hoe zou het zijn geweest als ik een andere mentor dan Eenvleugel had gekregen? Misschien was ik dan wel weer vrienden met Taanpoot geweest. Zijn gedachten werden onderbroken door een ijzingwekkende kreet uit het leidershol.

Zilvertand rende naar het leidershol toe waar net een hevig bloedende Rookster uitkwam, Daspoot kon niet geloven wat Vleermuistand gedaan had. Hij keek naast zich en zag dat Roodpoot weg was, Daspoot zag nog net zijn staart door de doorntunnel verdwijnen. De clan kwam eigenlijk niet meteen in actie, het leek alsof ze het even moesten laten bezinken wat er gebeurd was. Appelvacht, Groenwilg en Sterrenpels sprongen nu naar voren en grepen Vleermuistand vast, Amber kwam ook het leidershol uit en rende het kamp uit, haar droom om bij de clan te komen was weg. Daspoot besloot om Roodpoot te gaan zoeken, hij had nu eindelijk een vriend en die wilde hij niet van zich af laten pakken.

Daspoot liep nu al lang door het bos het reurspoor van Roodpoot te volgen, hij moest toch ergens zijn? nu spotte hij hem, Roodpoot zat naar de rivier te kijken en mompelde maar wat voor zich uit. Nu draaide hij zich om, 'Lijk ik op hem?', 'wie?' vroeg Daspoot verbaasd. 'Lijk ik op Vleermuistand?' 'n-nee, natuurlijk niet', daspoot antwoorde zo snel als hij kon om geen moment van aarzeling in zijn stem te hebben. 'We kunnen beter terug naar het kamp gaan', Roodpoot knikte en liep achter Daspoot aan, terug naar het kamp.

Daspoot werd wakker, het was nu heel wat dagen na de aanval van Vleermuistand en hij was uit d clan verbannen. Roodpoot en Regenpoot waren krijgers geworden, de twee broers heette nu; Roodklauw en Regenpels. Forelkit was naar het leerlingenhol gekomen en liep de hele tijd achter Taanpoot aan. Van hem mocht Taanpoot het irritante poesje best hebben. Daspoot keek naar Helderpoot, zij sliep nog en hij had het oude nest van Regenpels kunnen bemachtigen zodat hij aan haar andere kant lag. Er was nu al zoveel veranderd sinds het ongeluk, ergens in hem was de hoop dat ze ooit weer vrienden zouden worden er niet meer. Maar toch bleef hij het proberen, misschien zou Taanpoot ooit toegeven dat hij een muizenbrein was geweest.

Eenvleugel wist dat gevechtstrainingen niet handig waren met haar twee leerlingen, maar het moest toch. Daarom stonden Daspoot en Taanpoot nu samen een paar bewegingen te oefenen terwijl Eenvleugel even op jacht was. Daspoot haalde naar Taanpoot uit en Taanpoot ontweek hem, nu was het Taanpoots beurt om een aanval te doen. Daspoot schrok zich een hoedje toen Taanpoot hem omver gooide en op hem ging staan, zijn klauwen uitgestrekt alsof hij hem echt pijn ging doen. Taanpoot sloeg zijn klauwen naar Daspoot uit en hij dichtte zijn ogen, zou dit zijn einde worden?.

Hoofdstuk 11

Taanpoot plantte zijn poten op Daspoots schouders. “Jij.. Jij… kittenmoordenaar!” Daspoots ogen werden zo groot als manen. Taanpoot richtte zijn rechterpoot op en spande zijn klauwen nog extra aan. Toen zette hij een van zijn nagels tegen Daspoots keel. Daspoot worstelde onder het gewicht van Taanpoot, maar tot Taanpoots genot lukte het hem niet om te ontsnappen. “Nog laatste woorden?”, mauwde Taanpels uitdagend. “Taanpoot!” Taanpoot draaide zich met een ruk om. “Eenvleugel! Het is niet wat het lijkt!” Eenvleugel keek geschokt naar het tafereel. “Ik.. ik… kom mee naar het kamp.” Taanpoot mauwde opstandig toen hij Eenvleugels tanden in zijn nekvel voelde, in een wanhopige poging Taanpoot van Daspoot af te sleuren. “Laat los!”, beval Eenvleugel Taanpoot. Taanpoot voelde woede in hem ontluiken, als een beest dat naar buiten wilde. “Nooit!”, schreeuwde hij, en hij sloeg Eenvleugel met zo’n harde klap dat de poes wankelde en ineen zakte. Een hartverscheurende kreet klonk uit de bosjes en Sterrenpels stoof de open plek over. Daspoot maakte handig gebruik van de situatie en glipte onder Taanpoot vandaan. Toen rende hij naar Eenvleugel toe. “Ik haal Zilvertand!”, riep Daspoot en hij stoof zo snel weg, dat er een stofwolk ontstond.

Taanpoot besefte pas wat hij had gedaan ton de vijf katten, Zilvertand, Daspoot, Taanpoot, Sterrenpels en Eenvleugel, onderweg waren naar het kamp. De bewusteloze Eenvleugel werd gedragen door Daspoot en Sterrenpels. Zilvertand liep ernaast, om een oogje op Eenvleugel te houden en Taanpoot liep achteraan. Er werd niks gezegd, maar af en toe wierpen Daspoot en Sterrenpels een woedende blik naar Taanpoot. Maar dat was niet Taanpoots grootste zorg. Dat was namelijk wat er zou gebeuren in het kamp. Zou Rookster boos op hem zijn? En wat zou Schaduwglans zeggen? Toen pas drong een vreselijk idee zijn gedachten binnen. Wat als hij verbannen zou worden, net zoals Vleermuistand een paar manen terug. Zijn gedachten werden onderbroken door het ritselen van de doorntunnel, en Zilvertand wees met zijn staart op het leerlingenhol. Taanpoot begreep de hint en hij sloop naar binnen. Hij ging in zijn nest liggen, met zijn staart over zijn neus geslagen. Hij kon alleen maar hopen dat alles goed kwam.

“Kom eens uit je nest, luilak!” Slaperig opende Taanpoot zijn ogen en zag net Appelvacht weer naar buiten lopen. Taanpoot stond op en rekte zich uit. Hoelang had hij geslapen? Toen wist hij het weer: Eenvleugel was zwaar gewond, omdat hij haar had geslagen. Snel liep hij het hol uit en eenmaal buiten zag hij dat het kamp in rep en roer was. Rookster stond op de Hogerots en Appelvacht stond eronder, een aantal katten te kalmeren. Nu pas bedacht Taanpoot dat hij Schaduwglans nog niet had gesproken. Hij keek rond en zag zijn moeder bij Lichtroos zitten. Op zijn hoede trippelde hij naar hen toe. “Waarom?”, jammerde Schaduwglans toen ze haar zoon in het oog kreeg. “Waarom heb je Eenvleugel vermoord?” Vermoord? Was zijn mentor dood? Zonder op enig protest te letten, rende hij zo snel hij kon de open plek over, naar het medicijnhol. Hij kwam slippend tot stilstand en zag tot zijn opluchting dat er niemand anders aanwezig was dan Zilvertand. De medicijnkat keek op. “Taanpoot.”, was het enige dat hij zei. Taanpoot boog zijn kop uit respect naar Zilvertand. “Het spijt me.”, murmelde hij. “Ik weet niet waarom je haar doodde, maar ik weet wel dat je het deed. En nu heb je een missie.”, mauwde Zilvertand. “Wat is de missie?”, vroeg Taanpoot nieuwsgierig. Hij zou alles doen wat het beter zou maken. “Rookster zal het je uitleggen.” Taanpoot boog zijn kop opnieuw, maar nu als een afscheid, en snelde naar buiten. Het was een drukste van jewelste, maar toen Taanpoot zich richting de Hogerots begaf, werd het griezelig stil. “Taanpoot!”, klonk de luide stem van Rookster. “Jij hebt Eenvleugel vermoord. En omdat je nog maar een leerling bent, moet je volgens de traditie naar de Sterrencirkel reizen en daar met de dode praten. Als je het niet doet, zal dat leiden tot verbanning uit de clan.” Taanpoot slikte even, het leek erop dat hij geen keuze had.

Taanpoot maakte zich klaar voor vertrek. Hij had van Zilvertand te horen gekregen dat hij richting het noorden moest, en dat de Sterrenclan de rest van de weg wees. Alle clankatten zaten op de open plek en Rookster sprak de laatste woorden uit. “Ga, jonge kat! Ga en zie je schuld onder ogen!” Taanpoot stapte door de doorntunnel, het kamp uit. Toen hij de rand van het bos bereikte, hoorde hij iemand achter zich roepen: “Wacht, Taanpoot!” Toen hij zich omdraaide zag hij Daspoot naar hem toekomen. “Ik ga met je mee.”


Hoofdstuk 12

Daspoot en Taanpoot waren nu al bijna een dag onderweg en Daspoot had al de hele tijd het gevoel dat ze gevolgd werden. Hij stond stil en Taanpoot botste tegen hem op waarna hij sissend achteruit sprong, 'Je liet me schrikken!'. 'Taanpoot? Heb jij ook het gevoel dat we gevolgd worden?', 'Nee' mauwde hij bits en ze liepen weer verder door het bos. Nu hoorde Daspoot wel duidelijk iets, snel rende hij ernaartoe, Wat als een krijger ons gevolgd is? Hij keek door de bosjes heen, iemand had hen wel degelijk gevolgd en ze stond hem nu verslagen aan te kijken. 'Taanpoot! ik heb je zus gevonden!'

'..En toen besoot ik jullie te volgen omdat ik bang was dat twee muizenbreinen zoals jullie het hier niet lang zouden overleven' maakte Helderpoot haar verhaal af. 'Je bent ons ook gevolgd omdat je Daspoot leuk vind' mauwde Taanpoot plagend naar zijn zus, Vond Helderpoot hem leuk? Helderpoot sloeg snel over op een ander onderwerp en zei: 'Ik heb gehoord dat de sterrencirkel een kring van glimmende stenen is, als de maan op zijn hoogst staat, komt de straal op de eerste steen die hem doorgeeft aan de volgende en die weer aan de volgende. Uiteindelijk komt de straal dan in het midden terrecht en daar moet je dat recht in gaan staan, als het goed is spreekt sterrenclan dan tot je. 'Van wie weet je dat allemaal?' vroeg Daspoot verbaasd, Alleen Medicijnkatten en Leiders kwamen daar toch? 'Dat weet ik van je vader' mauwde Helderpoot, 'Wat weet Snelstroom van de Sterrencirkel?' 'Snelstroom weet daar niks van, ik heb het van Zilvertand'. Daspoots hoofd duizelde.

Die nacht kon Daspoot niet slapen, Had Snelstroom het geweten? En hoe wist Helderpoot het dan? Zoveel vragen waarop hij nu geen antwoord kon krijgen, naast hem lag Taanpoot met een beschermende poot over de schouder van Helderpoot die daar weer naast lag. Taanpoot laat me nooit bij haar zijn dacht hij, als dit zo door bleef gaan zou hij nooit zelfs maar naast haar mogen lopen. Taanpoot had de hele weg naar deze holle boom tussen hen in gelopen en gedaan alsof Daspoot niet bestond. Het idee om mee te gaan op deze reis was alleen maar in zijn hoofd gekomen omdat hij het gewoon weer goed wilde maken. Had Taanpoot me echt vermoord als Eenvleugel niet tussenbeide was gekomen? opeens voelde hij zich niet meer zo veilig naast de bruine leerling. Opeens stond Eenvleugel naast hem, haar vacht glinsterde van de sterren en haar stem klonk zacht maar duidelijk. 'Hij zal je nooit iets doen als Helderpoot erbij is, als jij sterft breekt dat haar hart', met die woorden in zijn hoofd viel Daspoot eindelijk in slaap

Die ochtend werd hij wakker met de geur van verse muis in zijn neus, hij deed zijn ogen open en zag er eentje voor zijn neus liggen. Helderpoot en Taanpoot waren naast hem een houtduif aan het verslinden, hij begreep het wel; als je niet op jacht gaat krijg je de minste prooi. Helderpoot bleek door te hebben dat hij wakker was en liet de houtduif voor wat het was, 'Ik hoorde je gisteren mompelen in je slaap, je had het erover dat je veilig was'. Wat had Helderpoot gehoord? Hij haalde zijn schouders op en begon zijn muis te verorberen, hij was eerlijk mals en sappig. Taanpoot keek naar de zon en zei; 'We moeten snel verder gaan, ik hoop dat we er snel zijn'. Helderpoot knikte instemmend en ze gingen weer verder.

Daspoots poten deden pijn en hij was moe, ze waren al bijna de hele dag aan een stuk door aan het lopen en hij snakte naar een beetje water. Taanpoot was niet van plan te stoppen voordat de zon onder was, Had hij dan geen droge tong?. Nu zag Daspoot iets wat hem uit zijn gedachten trok, Water! Hij rende ernaartoe, het boeide hem niet dat Taanpoot en Helderpoot hem vreemd aankeken. Hij sprong met als bedoeling midden in het beekje te landen, het enige wat er gebeurde was dat hij met zijn neus in het zand lag. Er was helemaal geen beekje geweest, daarom hadden Helderpoot en Taanpoot hem zo gek aangekeken.

Hoofdstuk 13

“Ik heb dorst!” Taanpoot rolde met zijn ogen toen hij voor de zoveelste keer aan moest horen dat Daspoot iets wilde drinken. Het was al een paar uur later nadat Daspoot in het onzichtbare beekje was gesprongen, en het werd al donker. Hoelang moesten ze nog? En waren ze wel de goede kant op gegaan? Taanpoot richtte zijn blik op de Zilverpels. Oh Sterrenclan, help ons!, bad hij tot zijn krijgervoorouders. Maar nadat hij dat hij om hulp had gevraagd, bedacht hij zich dat de Sterrenclan hen misschien niet eens wilde helpen. Of ja, Taanpoot niet. Hij had immers een kat vermoord, terwijl hij een andere kat probeerde te vermoorden. Taanpoot gaapte. Hoewel hij een sterke kat was, werd hij nu, nu hij ze een hele dag hadden gelopen, ook wel moe. “Zullen we een plek om te rusten zoeken?”, stelde hij voor. Helderpoot en Daspoot knikten instemmend en ze gingen op zoek.

“Ik heb een goede plek gevonden!” Taanpoot trippelde naar Helderpoot toe, die een plek aanwees onder een dichtbegroeide hazelaar. Taanpoot gaf zijn zusje een lik over haar kop. “Wat ben ik blij dat je mee bent.”, fluisterde hij liefkozend. Helderpoot snorde. “Ook al heb je Eenvleugel gedood..” Taanpoot slikte even toen hij weer werd herinnerd aan wat hij had gedaan. “.. Je bent en blijft mijn broer, en ik zal je nooit laten vallen.” Nog zachter fluisterde ze erachteraan: “Ik hoop dat ik Eikenkit te zien krijg als ik bij de Sterrencirkel ben. Ze liep door, tot onder de hazelaar, en wenkte haar broer. Binnen was het ruim en beschut. Taanpoot sperde zijn ogen wijd open. Er lag een plas water! Taanpoot rende ernaar toe, met Daspoot en Helderpoot op zijn hielen. Het water smaakte heerlijk. Zanderig, maar heerlijk. En met een tevreden gevoel, ging Taanpoot slapen.

Taanpoot schrok wakker van geblaf. Hij deed voorzichtig zijn ogen open en zag dat Daspoot en Helderpoot al op hun poten stonden, klaar om te vluchten als dat moest. Daspoot keek voorzichtig van onder de hazelaar naar buiten. “Niks te zien.”, meldde hij en de drie katten stapten naar buiten. “Wow!” Taanpoots mond zakte open. Ze keken uit op een prachtig landschap, dat voor merendeel bestond uit heide. Helderpoot keek gefrustreerd. “Als we het noorden aanhouden, moeten we vlak langs die tweebeenplaats. Taanpoot keek naar de zon, Helderpoot had gelijk. “Dat wordt nog interessant.”, zei hij. De drie maakten zich klaar voor vertrek. Ze aten nog gezamenlijk een ekster, alsof ze beste vrienden waren, en dronken nog wat. Toen gingen ze weer op pad.

“Niets.”, mauwde Appelvacht bedroefd. “Niets?”, herhaalde Rookster. Hij zuchtte. Helderpoot en Daspoot waren nu al ruim twee dagen verdwenen, en er was geen enkel spoor te vinden. Schaduwglans en Lichtroos kwamen aanrennen, hun blikken zorgelijk, met een sprankje hoop. “Is er iets gevonden?”, mauwden de poezen. Rookster schudde vermoeid zijn kop, overmand door verdriet. Toen richtte hij zijn kop op en riep een clanvergadering bijeen. “Katten van de Lichtclan.”, begon hij toen alle katten op de open plek zaten. “Voor het belang van de clan zullen we het zoeken naar Daspoot en Helderpoot moeten staken.” Geschokt gemompel klonk en Lichtroos sprong op, terwijl Schaduwglans haar kalmeerde. Maar Rookster was nog niet klaar. “Het is bijna Bladval, en we moeten ons focussen op de jacht. Al het eten zullen we nodig hebben.” Enkele katten knikten begrijpend, maar er waren er ook bij die met elkaar fluisterden en boze blikken naar de leider wierpen. Rookster sprong van de Hogerots af en ging zijn hol binnen. Appelvacht kwam achter hem aan. “Rookster, is alles goed?”, vroeg ze bezorgd. Rookster knikte afwezig en ging in zijn nest liggen. Hij verwachtte dat Appelvacht op zou staan en weg zou lopen, maar in plaats daarvan kwam ze naast hem liggen. Rookster legde zijn kop neer, te vermoeid om te vragen waarom Appelvacht naast hem ging liggen, en viel in slaap.


Hoofdstuk 14

Daspoot ging het groepje voor terwijl in de verte al de eerste holen van de kleine tweebeenplaats te zien waren. Hij hoopte er met zo min mogelijk gedoe doorheen te gaan, maar dat leek onmogelijk, aangezien Clankatten flink de aandacht trokken van de poesiepoezen. Helderpoot week een beetje af om het donderpad te bestuderen dat hier lag, maar ze sprong angstig achteruit toen er een monster langskwam. Gelukkig bleef hij op het pad en deed de lichtgouden poes niks. Wat bezielt poesiepoezen om hier tussen te leven? vroeg Daspoot zich af. Achter hen klonk nu een verraste mauw, Daspoot draaide zich om om te kijken om Taanpoot misschien door een vos verslonden was, maar zijn hoop werd de grond in gedrukt toen hij er een zwart-witte kater met een fleurige halsband zag staan. 'Zijn jullie verdwaald?' vroeg hij nieuwsgierig.

'Dat gaat je allemaal niks aan.' de kater, hij bleek Koby te heten, kon niet ophouden met vragen stellen. 'Als ik jullie help door het dorp te komen, vertellen jullie mij dan wat?' Daspoot wilde hem al wegsnauwen toen hij bedacht dat dat best wel een goed idee was. Helaas was natuurlijk Taanpoot hem voor. 'Oke, dat doen we.' Koby ging hen vrolijk voor op een smal donderpad tussen twee rijen pelzen. 'Waar blijven jullie?' vroeg hij toen Taanpoot en Daspoot aarzelde, Koby en Helderpoot waren al op een monster gesprongen en Helderpoot maakte zich al klaar om hem te gebruiken als opstapje voor het hek. 'Ik ben geen laffaard zoals jij.' mauwde Taanpoot en hij sprong zijn zus achterna. Daspoot keek hem geërgerd na en riep; 'Maar ik ben geen moordenaar!'

Aan de andere kant van het hek bevond zich weer een donderpad, deze was veel drukker dan het smalle pad dat ze eerst over waren gestoken. Koby ging zonder aarzelen naar de overkant, Daspoot besloot dat het nu maar beter was dat hij ook maar snel overstak nu er even geen monsters waren. Het pad voelde net als de vorige raar aan onder zijn pootkussentjes, hard, maar toch ook veel glad en warm. aan de overkant stopte Koby bij een stel struiken, 'Hier zullen jullie de nacht doorbrengen.' mauwde hij en hij stond op het punt om weg te gaan. 'Wacht, we zijn nog helemaal niet uit deze tweebeenplaats, wat ga je dan doen?' 'Oh.' mauwde hij. 'Ik breng de nacht liever bij mijn baasjes door, anders worden die ongerust.' Daspoot hoorde Taanpoot iets mopperen over laffe poesipoesen en Koby vertrok.

Die nacht, had Daspoot een rare droom. Hij zag een kring van stenen, ze gloeide langzaam op nu de maan steeds hoger kwam. Dit moest de Sterrencirkel zijn. Opeens leek het wel alsof hij steeds dichterbij kwam. Hij deinsde langzaam achteruit, bang dat als ze nog dichterbij zouden komen ze hem zouden pletten. het leek alsof er met de wind een stem kwam, Jullie zijn er bijna Daspoot vroeg zich af wie het was, nu herkende hij de stem 'Eenvleugel?' hij was nieuwsgierig of zijn vorrige mentor op zou komen duiken, maar in tegenstelling voelde hij een harde por in zijn zij en hoorde hij de stem van Taanpoot. 'Opstaan Slaapkop!'

Hoofdstuk 15

“Huh, wat?”, klonk de slaperige stem van Daspoot. Taanpoot rolde geïrriteerd met zijn ogen. “We hebben niet de hele dag de tijd, muizenbrein.” Daspoot rekte zich uit en stond op. Helderpoot stond al klaar. “En nu?”, vroeg ze, haar kop naar een zijde hangend, en een vragende blik in haar ogen. Taanpoot keek haar vragend aan. “Hoe bedoel je?” “Nou..”, antwoordde ze. “.. Ik heb geen idee of Koby nog terugkomt.” Taanpoot lachte sarcastisch. “Denk je dat we hem nodig hebben? Ik had het al met die kater gezien na de eerste paar vossenlengtes. Wij gaan niet meer met hem verder reizen.” Taanpoot had niet door hoe bazig hij klonk, tot Daspoot zich ermee kwam bemoeien. “En, Taanpoot, sinds wanneer bepaal jij wat we doen?” Tja, wat moest Taanpoot daarop zeggen? Hij wist het niet, dus draaide hij zich om en stampvoette onder de struiken vandaan.

De zon scheen heerlijk warm, en Taanpoot sloot zijn ogen. Even was het alsof al Taanpoots zorgen verdwenen. Het was alsof hij weer een kit was, die dicht tegen zijn moeders buik aanlag. Zijn moeder, wat moest zij wel niet van hem denken? Toen pas sloeg de realisatie in. Hij was een moordenaar. Een moordenaar! Hij heeft zijn mentor vermoord. Nee, hield hij zichzelf voor, het was een ongeluk. Is dat zo?, vroeg een stemmetje in zijn hoofd. Maar Taanpoot drukte het weg en opende zijn ogen. Hij zag Daspoot en Helderpoot uit de struiken komen. Hoelang had hij hier gestaan? Toen pas bedacht hij zich weer, ze moesten verder gaan. “Welke kant moeten we op?”, vroeg Taanpoot aan de twee andere leerlingen. Daspoot gooide een geërgerde blik in de richting van de bruine kater. “Ik dacht dat jij de teamleider was?” Taanpoot ontblootte zijn tanden, proberend de verleiding te weerstaan om zijn nagels in de pels van Daspoot te zetten. Helderpoot merkte het op, en ze streek met haar staart langs Taanpoots flank, wat ervoor zorgde dat hij kalmeerde. Taanpoot probeerde zich te herinneren waar ze vandaan kwamen en plots wist hij het weer. “Kom! Volg mij.”, duidde hij aan en hij liep weg.

Ze waren alweer een halve dag onderweg, en hadden nog niks gevonden. Taanpoot begon te twijfelen, hadden ze er niet allang moeten zijn? Hij werd uit zijn gedachten gerukt door een gil. Helderpoot! Taanpoot draaide zich met een ruk om. Een vos stond tegenover Helderpoot en Daspoot, klaar om toe te slaan. En Taanpoot stond daar maar, in shock, toe te kijken. Toen rende hij op zijn snelst naar de vos toe. In zijn hoofd probeerde hij de vechtbewegingen na te gaan die hij van Eenvleugel geleerd had. Tranen vulden zijn ogen bij de herinnering aan zijn mentor, maar hij knipperde ze weg. Er was nu geen tijd om sentimenteel te gaan doen. Hij sprong op de vos, in de hoop het beest af te leiden. Het werkte, maar nu focuste de vos op Taanpoot. Hij hapte naar de leerling, die nog steeds op de rug van de vos zat. Nu kwamen Daspoot en Helderpoot eraan gesneld. Daspoot gaf het oranje beest een flinke klauw tussen zijn ogen, terwijl Helderpoot zijn staart voor haar rekening nam. De vos raakte de controle kwijt over de leerlingen, en dat beval hem blijkbaar niets, want toen Taanpoot nog een nagel in zijn vel haakte, koos het beest het hazenpad. Taanpoot sprong van de vos af, en landde netjes naast zijn zusje. “Zijn er gewonden?”, vroeg hij, vooral aan Helderpoot. De anderen schudden hun kop, dus de drie vervolgden hun tocht.

Het was al donker toen ze op een open plek aankwamen. De plek was omringd door hoge rotsen en hier en daar sijpelde een klein beekje. De maan scheen boven de boomtoppen en verlichtte de rotsen. Taanpoot keek verwondert om zich heen. Het was prachtig! Maar toen hij de reden van het bezoek aan de Sterrencirkel weer herinnerde, liet hij met een zucht zijn kop hangen. “Zullen we dan maar?”, vroeg hij, terwijl hij zich omdraaide naar de rest. “Eh,” begon Daspoot. “Ik wil wel, maar hoe moeten we zo snel in slaap vallen?” Taanpoot keek om zich heen. Hij moest toegeven dat Daspoot voor deze ene keer gelijk had.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.