Wikia


Schaduwverhalen (Stories of Shadows) is een verhaal dat zich afspeelt in een verbeterde versie van de wereld uit Ringo's Pad.

Proloog

“Hij is slechts een schim van jou.”

De grijze stenen glinsterden door de druppels van de beek die erlangs stroomde. Het water maakte een ruisend geluid, bijna fluisterend, terwijl de planten op en neer wiegden in de avondbries. De sterren fonkelden in de blauwe hemel met grijze vegen.

Een jonge, lenige viskat met een opvallend ovaal gezicht, sprong behendig van rots naar rots. Zijn vlekken leken te dansen door het rimpelen van zijn vacht en zijn bruine ogen stonden wijd open, om het weinige licht wat er nog was op te vangen. Zelfs in het duister was te zien hoe zenuwachtig de jonge kater was.

‘Doorn!’ riep de viskat. Zijn stem was gedempt, en toch schalmden de woorden door het nachtstille woud. Even kromp hij ineen door de luide echo’s. Een paar vogels vlogen uit de hoge bomen, krassend van opwinding. Maar de kat waar hij om had gevraagd, verscheen niet.

‘Doorn!’ schreeuwde hij nogmaals. ‘Ik ben het, Rimpeling!’ De schuilnaam klonk stom, dat wist de viskat zelf ook wel, maar hij moest zijn identiteit verhullen. Dat was deel van de Code, en niemand brak die, want dan was het nog maar de vraag of je de volgende zonsopgang nog zou meemaken. Een beetje bevend, hield de jonge kat zijn ogen op de struiken gericht.

Opeens bewogen de lange bladeren. Er klonk een geritsel, als een slang die over de grond heen schoot, en een moment later stond er een knappe platkopkat tussen het struikgewas. Zijn roodbruine kop werd verlicht door het maanlicht. ‘Rimpeling. Ik had niet verwacht dat je op tijd zou zijn. Tot nu toe miste je haast elke afspraak.’

De viskat ging iets rechterop zitten en openbaarde daarmee zijn adellijke wortels. ‘Het spijt me, Doorn. Ik werd verhinderd.’

De platkopkat snoof. ‘Verhinderd? Drie keer achter elkaar? Je hebt geluk dat ik je nog niet uit het Broederschap heb gezet, geloof me. Maar nu ben je er, dus misschien heb je nog wel interesse in onze plannen.’

Rimpeling bewoog opgewonden op en neer. ‘Uiteraard, heer. Ik heb altijd interesse getoond, toch?’ Hij klonk alweer een beetje nerveus. Kennelijk was hij zich ervan bewust wat deze Doorn met hem zou doen, mocht hij hem irriteren.

Doorn likte langs zijn lippen. ‘Natuurlijk’, suste hij de viskat. ‘Je bent altijd toegewijd geweest. Het Broederschap zal je daarvoor rijkelijk belonen, weet je. Voedsel, macht, territorium… het kan allemaal van jou zijn.’

Rimpelings ogen kregen een glinstering. ‘Ja, van mij. En niet van Rivier.’ Dat was opnieuw een codewoord, maar Doorn begreep duidelijk wie hij bedoelde. Zijn lippen krulden zich op tot een geamuseerde grijns.

‘Ja, Rivier verdient minder’, stemde de platkopkat in. ‘Hij is slechts een schim van jou. Al sinds het eerste ogenblik, was jij bereid om te werken, terwijl hij nog niet eens zijn eigen staart wast. Daar heeft hij tenslotte zijn bedienden voor.’

Rimpeling haalde zijn neus op van afschuw. Zijn staart zwiepte heen en weer, zo verontwaardigd voelde hij zich over al het onrecht wat hem was aangedaan. ‘U bent de enige die het begrijpt. Maar ik wil dat meer katten het snappen.’

De platkopkat kwam een paar stappen dichterbij, totdat hij aan de oever van de rivier stond. Rimpeling had hem nog nooit van zo dichtbij gezien; Doorns grote, kastanjekleurige ogen keken hem ambitieus aan. ‘Ze zullen het pas begrijpen als jij actie onderneemt. En het Broederschap zal je daarbij helpen, dat zeg ik op mijn woord van eer.’

‘Ik zal alles doen wat jullie zeggen, dat zweer ik op de Code’, miauwde Rimpeling plechtig. Op dat moment kwam er heel even een spoor van twijfel in zijn ogen. Gaf hij hiermee niet al zijn eigen macht weg? Maar Doorn leek nauwelijks te reageren op Rimpelings eed.

‘Je zult hard moeten werken. Soms dingen moeten doen die je niet erg leuk vindt, of erger nog, dingen die niet volgens de regels zijn. Maar het doel heiligt de middelen! Onthoud dat en alles lijkt een stuk minder ernstig.’

Rimpeling luisterde aandachtig. Hij werd verblind door alles wat Doorn hem voor ogen stelde, en inderdaad, wat was er zo erg aan het overtreden van sommige regeltjes? Als het uiteindelijk tot iets leidde wat goed was voor het rijk, waarom zou hij dan nog langer aarzelen?

‘Wanneer kan ik beginnen met mijn taak?’ fluisterde Rimpeling enthousiast. ‘Ik snap alles wat jullie zeggen, dus is het niet tijd dat ik kennismaak met het hele Broederschap?’

De platkopkat werd terughoudender. Zijn ogen versmalden en zijn dikke vacht rees een stukje overeind. ‘Alles komt met de tijd. Geduld wordt beloond. Hebben jouw adellijke ouders je ooit wat anders verteld?’

Rimpeling schudde zijn kop, een beetje teleurgesteld. ‘Ja, heer. Ik zal wachten. Bij de volgende maanschijf ben ik hier, dat beloof ik.’

Doorn glimlachte. ‘Ik geloof je op je woord. Tot ziens, Rimpeling. Of, als ik zo vrij mag zijn om je bij je echte naam te noemen…’

Hoofdstuk 1

“Zelfs al was hij de kroonprins.”

‘Thimothée, wat is het antwoord?’ De stem van de moeraskat snerpte door de lucht. Haar oren waren ongeduldig tegen haar kop gevouwen en haar staart zwiepte op en neer. Het was duidelijk dat ze geen geduld meer had met haar leerling.

Thimothée schuifelde een beetje wanhopig op en neer. Hij wisselde een blik met Finley, maar die kromp ineen, als teken dat hij het ook niet wist. Deze lessen waren nou niet bepaald makkelijk, maar Thimothée had verwacht dat zijn slimmere broertje het antwoord wel wist.

‘Nou? Heb je je tong verloren, heer prinselijkheid? Wie is de stichter van het Zandrijk?’

Nog even liet hij zijn hersenen kraken, maar dat leverde geen resultaat op. Voorzichtig keek hij omhoog, waar de lerares boos heen en weer ijsbeerde op een platte rots. ‘Ik weet het niet. Het spijt me, Dacoda.’

Dacoda liet haar ogen in haar kassen rollen. ‘En dát is onze toekomstige koning. Ik stem voor de republiek’, zuchtte ze en verplaatste haar blik naar Finley. ‘Jij, wat is jouw antwoord?’

Finley schrok op, waarbij zijn staart een onverwachte beweging maakte en een paar limoenbladeren opzweepte. Eén daarvan kwam in zijn gezicht terecht en stuntelig maakte hij een paar sprongen naar achteren. Thimothée kon zijn grijns niet onderdrukken, maar Dacoda had blijkbaar geen enkele moeite om haar emoties onder controle te houden. Als ze tenminste al emoties hád, natuurlijk.

‘Kansloos’, mompelde ze in zichzelf en vervolgde daarna luider: ‘Finley, ga jij maar naar je moeder toe en vertel haar eens in detail van jouw zoveelste poging om aandacht te trekken. Ik weet zeker dat ze daar heel blij mee zal zijn.’

‘Ah, alsjeblieft’, smeekte Finley, maar hij werd onverbiddelijk weggejaagd door Dacoda. Thimothée was nu alleen met de moeraskat en hij vond het maar niks. Onder haar onderzoekende blik leek het alsof er mieren door zijn vacht heen kropen.

Dacoda begon te vertellen: ‘De stichter van het Zandrijk, tevens het eerste rijk, was koning Malhoudi. Een grootse leeuw met vooruitstrevende ideeën. Hij had het niet zo op buitenstanders en was de grondlegger van het legersysteem zoals we dat nu kennen, maar de raad der wijzen is pas later ontstaan. Malhoudi heeft de macht altijd bij zichzelf geprobeerd te houden, wat hem een sterke leider maakte, maar niet heel populair in de hedendaagse samenleving.’

Thimothée probeerde de stortvloed van informatie te verwerken, maar hij kreeg daar niet lang de tijd voor. Dacoda keek hem verwachtingsvol aan en wilde blijkbaar dat hij alles herhaalde. ‘Eh,’ begon hij, ‘de eerste koning van het Zandrijk was Mal… Maladi? Malodi?’

‘Malhoudi’, corrigeerde de moeraskat hem. ‘Zeg mij maar na: Malhhhhh….’

‘Malahahal’, deed Thimothée een poging, maar het klonk nergens na. De mh-klank was simpelweg onmogelijk voor iemand uit het Waterrijk - met Dacoda dan natuurlijk als enige uitzondering.

‘Je moet ophouden met die tussenklinkers!’ sneerde Dacoda. ‘Als je met zo’n Waterig dialect blijft praten, dan zullen je toekomstige medekoningen je nooit begrijpen.’

Thimothée wiebelde een beetje beschaamd heen en weer. ‘Malhoudi’, sprak hij uiteindelijk met veel moeite. Dacoda glimlachte tevreden.

‘Dat klinkt al beter. Je hebt in ieder geval minder moeite met het Zanderige dialect dan met het IJzige, nietwaar?’

‘Daar hoef je me niet aan te herinneren’, bromde hij geïrriteerd, maar de moeraskat vond het blijkbaar heel leuk om over zijn vorige afgangen te praten.

‘Oh, wat was dat grappig. Wat betreft de talen heeft Finley overduidelijk meer talent. Maar qua ernst, tja, zou ik hem niet graag als koning willen. Kom op, we moeten door. Malhoudi was de eerste koning van het Zandrijk. Herinner je je nog wat ik over het Vuurrijk had verteld?’

Ze ratelde zo dat Thimothée de vraag nauwelijks had gehoord. ‘Eh, het Vuurrijk, ja… dat was het tweede rijk, toch? Met een familie jaguars als koningshuis?’

Dacoda knikte. ‘De Matahari-Dynastie, ja. Daarna kwamen de zwarte panters, met de Taiyo-Dynastie. Inmiddels zijn de tijgers alweer een tijd aan de macht met de Taiyáng-Dynastie. Hoewel niet iedereen daar tevreden mee is, wordt het Vuurrijk over het algemeen gezien als een trots rijk waarin trouw aan het land belangrijk is.’

Nu ze het zo zei, herinnerde Thimothée zich inderdaad vaag iets over dat ze dit had verteld. Maar hoe kon iemand van hem verwachten dat hij alles over de verschillende rijken onthield?

Zelfs al was hij de kroonprins.

Hoofdstuk 2

“Je ziet eerst de bliksem, pas daarna hoor je de donder.”

Een lichtflits doorbrak het nachtzwarte gewelf. De stengels bamboe wiegden op en neer in de koude rukwind. Normaal gaf het struikgewas geborgenheid, maar nu kwam het gevaar van boven. Iets waar Shimi niet mee om kon gaan, want dit natuurgeweld was niet iets wat hij kon trotseren. Onweer was onvoorspelbaar; het kon toeslaan wanneer het maar wilde.

‘Rustig maar.’ De stem probeerde Shimi duidelijk te kalmeren, maar had het tegenovergestelde effect. ‘Het is maar een onweer.’

‘Máár een onweer?’ herhaalde Shimi bevend. ‘Je weet best hoe erg ik onweer haat, oji.’ Oji was oud-Vuurs voor “oom” en al was de goudkat niet echte familie van Shimi, toch mocht hij hem zo noemen. ‘Het kan elke dag terugkomen en als de bliksem ook maar op een verkeerde plek inslaat, ben je dood. Gewoon, dood, zonder dat je er iets tegen kunt doen!’

Oji glimlachte kort. ‘De kans dat je sterft door een vallende bamboestengel is groter dan dat je wordt geraakt door de bliksem. Denk dat gewoon en alles komt in orde.’ Shimi snoof: was het maar zo simpel. Hij had geen zin om de discussie opnieuw aan te gaan, dus bedekte hij maar zijn oren om de donderknallen niet te horen.

‘Als je zo blijft doen, kom je nooit over je angst heen’, grauwde Oji boos. ‘Kom op. Wees een strijder en luister. Je ziet eerst de bliksem, pas daarna hoor je de donder. Dus kijk naar de lucht en bereid je voor op het geluid.’

‘Het geluid is niet wat ik eng vind!’ riep Shimi wanhopig uit. Hij kromp ineen toen een nabije blikseminslag de vacht van zijn opvoeder zilver kleurde. ‘Maar telkens als ik het hoor, moet ik denken aan de brand. Ik heb een diepgeworteld trauma, ik ben geen bange welp…’ Zijn zin werd onderbroken door een nieuwe donderslag.

Oji zuchtte en schudde zijn kop. ‘Ja, een trauma. Maar je doet totaal niet je best om dat te boven te komen en je verstopt jezelf alleen maar. Ben je een goudkat of niet?’ Shimi knikte onzeker. ‘Nou dan. Goudkatten rennen niet weg voor het gevaar. Je bent yowai, zwak. Ik wil geen zwak iemand in onze familie.’

‘Ik zit niet in je dierbare familie’, kaatste Shimi terug. ‘Het is je eigen schuld dat jij je zo per se over me moest ontfermen. Als je me toen gewoon had laten verbranden, dan was ik nu een hoopje as, net als mijn ouders. Dat is toch wat je wil, hè?’ Oji maakte een diep, grommend geluid vanuit zijn keel.

‘Je zou me dankbaar moeten zijn. Ik heb je leven gered. Het is maar de vraag of ik dat opnieuw zou doen.’ Zijn oranje ogen waren woedend. Shimi had nog maar één keer vuur gezien, tijdens de brand, maar hij meende dezelfde flikkerende vlammen in de ogen van zijn pleegvader te zien. Zijn blik was nog enger dan de donder, die onophoudelijk doorging.

‘Helaas kun je de tijd niet terugdraaien’, bromde Shimi. Zijn poten beefden toen er opnieuw een knal klonk. ‘Maar wie weet vliegt dit hier ook in brand. Dan kun jij wegrennen, met je bloedeigen familieleden. Ik wacht hier wel totdat ik geroosterd ben.’

Er viel een lange stilte. Uiteindelijk stond Oji op en verdween in de bosjes, nog één keer over zijn schouder kijkend. ‘Pas maar op, jij. Nog één zo’n opmerking en je mag vertrekken. Naar alle andere yokai-katten.’

Nu was Shimi helemaal alleen. Hij wist niet of zijn angst daardoor meer of minder werd, maar het weer begon in ieder geval te bedaren. De grijze wolken boven zijn kop dreven langzaam weg, gedragen door de poten van de wind.

‘Ben ik yokai?’ vroeg hij aan een bamboestengel. Hij wist niet precies waarom hij dat deed, want antwoord kon hij niet verwachten. Toch luchtte het op. ‘Goudkatten zijn geweldig moedige katten’, zei de ene stem in zichzelf. ‘Je kunt het je Oji niet kwalijk nemen dat hij de eer van zijn familie hoog wilt houden. Ooit trekt hij wel bij.’

De andere stem vertelde hem echter iets anders. Shimi wist niet waarom hij het hardop uitsprak, maar misschien wilde hij de woorden gewoon met zijn eigen oren horen.

‘Oji wil jou niet hier.’

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.