FantasyAnimalsFafiction wiki
Advertisement
FantasyAnimalsFafiction wiki

Mededeling

Dit is niet echt een mededeling, eerder een reden. Maar ik heb dit verhaal geschreven om een beetje duidelijk te maken hoe, in dit geval, genderfluid in elkaar steekt. En warrior cats is sowieso één van mijn comfort fandoms dus koos ik ervoor Warrior Cats te gebruiken om het een beetje duidelijker te maken.

Hoofdstuk 1

Rozenpoot zucht. Waarom kan het leven niet makkelijk zijn? De afgelopen week voelde ze zich prima, maar nu voelt het weer alsof ze niet in dit lichaam hoort. Wat is er toch mis met me? vraagt Rozenpoot zich af als ze wakker wordt.

Met een zucht beslist Rozenpoot maar op te staan, ze zal de slaap toch niet meer vatten. Het wordt waarschijnlijk een hele leuke dag. Hoor het sarcasme. Hopelijk word ik op veel patrouilles gestuurd. Dan kan ik minder over mijn gevoelens nadenken en valt de dag misschien wel mee, denkt ze.

Ze loopt het hol uit. Nog niemand is op. De dageraadpatrouille is waarschijnlijk nog niet weg. De commandant, Snelsprinter, komt uit het krijgershol. Hij strekt zich uit.

“Oh hey Rozenpoot,” zegt Snelsprinter als hij haar ziet, “Je bent vroeg op vandaag.”

“Kon niet slapen,” liegt Rozenpoot, “Kan ik mee met de dageraadpatrouille?”

“Natuurlijk,” zegt Snelsprinter. Hij glimlacht warm.

Rozenpoot kijkt naar de prooihoop. Er liggen nog wat schriele muizen. “Pak maar hoor,” zegt Snelsprinter als hij haar ziet kijken. Rozenpoot knikt dankbaar. Pas als ze begint te eten merkt ze hoeveel honger ze heeft. Hij is in een paar happen weg. “Je had honger,” concludeert Snelsprinter. Rozenpoot knikt.

“Ik ga even de krijgers van de dageraadpatrouille wekken,” zegt Snelsprinter. Hij verdwijnt in het krijgershol. Als Rozenpoot naar de lucht kijkt ziet ze het roze van de zonsopgang. De tijd gaat sneller dan ze dacht.

Snelsprinter komt terug met Krulvaren, Donswind en Loofvacht.

“Gaat Rozenpoot ook mee?” vraagt Loofvacht.

“Ja,” zegt Snelsprinter. Loofvacht knikt en glimlacht naar haar. Rozenpoot weet dat Loofvacht haar er liever niet bij heeft. Ze weet niet waarom de poes haar niet mag en het interesseert haar ook vrij weinig. Donswind en Krulvaren zijn best aardig. Ze zijn een halve maan geleden krijgers geworden.

“Laten we gaan,” zegt Snelsprinter. Ze volgen de commandant het kamp uit.

“En hoe gaat het met je?” vraagt Donswind.

“Best goed,” zegt Rozenpoot uit automatisme, “Hoe gaat het met jou?”

“Goed,” glimlacht Donswind, “Ik hoop dat Krulvaren me binnenkort vraagt om partners te zijn.” De poes kijkt liefdevol naar Krulvaren. Een steek van jaloezie schiet door haar heen. Rozenpoot heeft geen tijd voor liefde, omdat ze altijd slecht in haar vel zit. Rozenpoot dwingt zichzelf te glimlachen. Ze weet dat Krulvaren het vroeger of later gaat vragen, het is duidelijk dat hij haar leuk vindt.

“Opletten jongens, we zijn bij de grens,” zegt Snelsprinter. Rozenpoot wordt uit haar gedachten gewekt. Aan de geuren te ruiken zijn ze bij de Schaduwclangrens. Ze trekt haar neus op. Ze stinken zo verschrikkelijk erg.

“Loofvacht, markeer de grens, dan gaan wij alvast verder,” zegt de commandant. Loofvacht knikt. De patrouille loopt verder.

Rozenpoot vindt het wel fijn hier te zijn. Het is lekker fris, zo vroeg in de ochtend. Ze is echt een ochtendkat. Ze houdt van de koelte aan het begin van de dag. En ze vindt het leuk om het bos te horen ontwaken.

“Rozenpoot, markeer jij het volgende punt?” vraagt Snelsprinter.

“Oke,” zegt Rozenpoot. Ze springt naar de boomstronk en plast erover. De patrouille is achter een struik verdwenen en Rozenpoot volgt hen. Ze voegt zich weer bij de patrouille.

“Gelukt?” vraagt Snelsprinter. Rozenpoot knikt.

Voordat ze het weet is ze weer terug in het kamp. Er zitten al enkele katten op de open plek. Vlamstorm begroet zijn broer kort. Snelsprinter verzamelt de katten en begint patrouilles weg te sturen.

“Stormbries, Vinkvleugel, Laurierpoot en Rozenpoot doen een jachtpatrouille bij het meer,” zegt Snelsprinter. Vinkvleugel verzamelt de patrouille en leidt hen het kamp uit. Rozenpoot gaat naast Laurierpoot lopen. De roodgevlekte poes ziet er nog een beetje slaperig uit.

“Goed geslapen vannacht, Lau?” vraagt Rozenpoot.

“Ja, best wel. Wat meer slaap zou niet erg zijn. Waar was je vanochtend?” vraagt Laurierpoot.

“Ik was mee met de dageraadpatrouille. Ik was vroeg wakker,” zegt Rozenpoot. Laurierpoot kijkt bezorgd.

“Je moet wel genoeg slapen,” zegt ze.

“Ik slaap ook genoeg,” zegt Rozenpoot. Laurierpoot knikt.

“We zijn er. Ben stil,” sist Vinkvleugel. Rozenpoot sluipt om een struik heen. Ze neemt de geuren op in haar neus. Er is een woelmuis in de buurt.

Als Vinkvleugel de patrouille weer bij elkaar roept, heeft Rozenpoot twee muizen en een konijn gevangen.

“Goede vangst,” zegt Laurierpoot. Haar vriendin heeft twee eekhoorns en twee vogels.

“Jij hebt ook goed gejaagd,” zegt Rozenpoot.

“Dank je,” Laurierpoot glimlacht.

“Zullen we terug gaan?” Vinkvleugel kijkt de twee leerlingen vragend aan.

“Ja,” zegt Laurierpoot. De vier katten keren terug naar het kamp. Rozenpoot legt haar prooi op de prooihoop. Laurierpoot kijkt haar de hele tijd bezorgd aan.

“Wat is er?” vraagt Rozenpoot een beetje geïrriteerd.

“Je lijkt niet helemaal blij te zijn,” zegt ze.

“Ik had een nachtmerrie vannacht,” liegt Rozenpoot. Rozenpoot voelt zich schuldig dat ze tegen haar liegt, maar ze kan het niet vertellen. Nog niet.


Later die dag, in haar nest, dwalen haar gedachten weer af. Ik moet het haar toch een keer vertellen. Maar wat als ze me niet geloofd of erger nog uitlacht? Wat nou als ik het haar vertel en ze wordt net als mijn broers? Alleen al bij de gedachte het te vertellen krijgt ze al bijna een paniekaanval. Of zal ik mijn vader in vertrouwen nemen? Snelsprinter is altijd een grote steun geweest voor haar. Dezelfde twijfels die ze bij Lau had komen ook terug bij haar vader. Wat als hij me uitlacht? Ze kan dit niet. Ze is zwak en een nietsnut. Waarom kan ze geen normaal leven hebben? Ze haat al deze gevoelens die haar steeds verder de duisternis in slepen. Waarom moet ik anders zijn?

Hoofdstuk 2

Het is nu een maan later. Ze kampt nog steeds met dezelfde twijfels, terwijl het leven gewoon doorgaat. Ze gaat bijna onderuit. Ze kan het voelen. Alles. Het is gewoon te veel. Ze kan niet veel langer meer doen alsof het allemaal goed gaat. En haar broers beginnen haar ook weer te treiteren.

“Je mag geen prooi pakken voordat de oudsten eten hebben gehad,” zegt Hulstpoot met een valse grijns.

“Ja, dat wordt een maan voor de oudsten zorgen,” zegt Mistelpoot met een identieke grijns. Iets knapt in haar. De afgelopen maan hebben ze haar op alles bekritiseerd en ze is er klaar mee.

“Laat me gewoon met rust,” roept Rozenpoot. Woede vlamt door haar heen. Ze boort haar klauwen in de grond. Dan rent ze het kamp uit. Ze heeft alleentijd nodig. Ze springt in de eerste de beste boom die ze tegen komt en beweegt zich door de bomen verder. Ze stopt bij een boom met dichte begroeiing. Zachtjes snikt ze. Waarom kunnen haar broers haar niet gewoon met rust laten? Waarom voelt ze zich altijd slecht? Waarom is ze een nutteloze nietsnut?

Ik kan mezelf net zo goed vermoorden. Niemand zal me missen en ik heb dan geen last meer van mezelf. Rozenpoot laat zich uit de boom vallen. Pijn schiet door haar heen als ze een paar takken raakt. Dan slaat ze met een misselijkmakende klap tegen de grond. Haar ogen blijven gesloten.


Als ze haar ogen opent kijkt Rozenpoot verwachtingsvol om zich heen, maar de teleurstelling boort diep in haar als ze de wanden van het medicijnhol herkent. Dan pas voelt ze de pijn in haar voorpoten. Beiden liggen er op een vreemde manier bij. Ze kan zich niet meer zoveel herinneren van voordat ze de grond raakte, maar het klinkt logisch dat haar voorpoten het eerst de grond raakten. Ze zijn waarschijnlijk gebroken.

Er klinkt luid gepraat buiten. Ze spant zich in het te horen.

“Jullie hebben haar bijna de dood in gepest,” zegt Snelsprinter met nauwelijks verholen woede, “Je bloedeigen zus! Schaam je!”

“Ze sprong zelf,” zegt Hulstpoot, “Ze wil gewoon aandacht.”

“Je bent ziek in je hoofd,” snauwt Laurierpoot, “Je hebt haar bijna vermoord en je zoekt nog steeds een excuus voor je daden. Hier kom je heus niet onderuit.”

“Inderdaad, we hebben haar bijna vermoord, dus ik zie het probleem niet,” zegt Mistelpoot. Het klinkt alsof Laurierpoot Mistelpoot aanvalt.

“Genoeg,” klinkt Netelsters zware stem, “Jullie worden verbannen voor een maan.” Ineens is het doodstil. Mistelpoot maakt protesterende geluiden.

“Laten we gewoon gaan broertje,” zegt Hulstpoot.

“Jullie hebben tot zonsondergang om het territorium te verlaten, daarna mogen we je doden. Ik zie jullie weer over een maan,” zegt Netelster. Rozenpoot ziet Mistelpoot en Hulstpoot het kamp verlaten. Melisseloof komt het hol in.

“Ah, je bent wakker. Het was een flinke val,” zegt ze. Rozenpoot knikt. Haar hoofd bonkt door de inspanning. Ze legt haar kop op de grond.

“Je voorpoten zijn gebroken en je hebt een lichte hersenschudding. Je hebt ook een paar gebroken ribben,” zegt Melisseloof. Rozenpoot knikt voorzichtig. Laurierpoot komt het medicijnhol in.

“Mag ik even met Rozenpoot praten?” vraagt ze.

“Ja, maar niet te lang. Ze heeft een hersenschudding,” zegt Melisseloof. Laurierpoot gaat naast Rozenpoots nest zitten.

“Dat flik je me nooit meer, hoor je me? Ik was doodongerust. Je had dood kunnen zijn! Als je dit nog eens doet en je overleeft weer dan dood ik je zelf,” zegt Laurierpoot. Rozenpoot voelde het al aankomen.

“Ik beloof het,” zegt Rozenpoot.

“Wat beloof je?” vraagt Laurierpoot scherp.

“Dat ik niet meer uit bomen zal springen,” zucht Rozenpoot. Laurierpoot knikt tevreden.

“Tot morgen,” Laurierpoot verdwijnt uit het medicijnhol.

“Hier, eet deze op. Ze verlichten de pijn en helpen je met slapen,” Melisseloof legt wat kruiden voor Rozenpoots neus. Ze likt ze op.

“Goede nacht,” zegt Melisseloof.

“Goede nacht,” zegt Rozenpoot. Langzaam valt ze in slaap.

Hoofdstuk 3

Het is nu een maan verder. Haar poten zijn al een stuk verbeterd. Alhoewel ze waarschijnlijk nog minstens een halve maan in het medicijnhol moet blijven. Haar broers zijn nog niet teruggekeerd en ze hoopt dat ze ook niet meer komen. Ze ligt op het moment naast de ingang van het medicijnhol. Het is vandaag een vreselijke dag. ‘s Ochtends voelde ze zich heel goed, maar nog voor zonhoog veranderde het. Dat was een half uurtje geleden. Ze begrijpt nog steeds niet wat er mis is met haar.

Ze legt haar kop op haar poten en bekijkt de open plek. Ze bekijkt de kittens die over de open plek rollen. Vooral de katertjes vangen haar blik. Hoe zou het eigenlijk zijn om een jongen te zijn? Een soort rust komt over haar heen bij het idee. Wat nou als ik een jongen ben? Wat als ik altijd al een jongen was, van binnen? Maar dat kan niet, want ik voel me niet altijd slecht? Rozenpoot heeft het gevoel alsof ze dicht bij het antwoord is, maar ze komt er ook niet op. Misschien morgen.


De volgende dag wordt ze vroeg wakker. Ben ik een jongen? Meteen voelt ze zich slecht. Maar als ik geen jongen ben, ben ik dan een meisje? Nog steeds voelt ze zich slecht. Ze snapt zichzelf niet meer. Ik kan toch niet iets anders zijn dan een jongen of een meisje? Er zijn toch maar twee geslachten of is er iets tussenin? Nee, dat kan niet. Niemand is geen jongen en geen meisje. Dat is onmogelijk.


De komende week denkt ze er elke dag over na, tussen de bezoeken van Laurierpoot in. Ze merkt dat ze zich vaak identificeert met jongen of meisje, maar soms kan ze zich bij geen van beide plaatsen en dat is wat ze nu aan het onderzoeken is.

Welke mogelijkheid is er nog naast jongen of meisje? Telkens komt ze terug op geen van beide, maar dat kan niet. Toch? Dat is onmogelijk. Niemand kan geen van beide zijn. Iedereen is of een jongen of een meisje. Ze blijft hieraan vasthouden tot de gedachte bij haar opkomt dat het gaat over haar gevoelens, niet over haar verschijning. Je wordt als meisje of jongen geboren, maar je gevoelens kennen geen grenzen. Toch? Rozenpoot denkt erover na. Hoe langer ze erover nadenkt hoe meer ze de theorie begint te geloven. Zoals ze eerder al wist, was dat ze zich soms niet goed voelde bij één van de twee geslachten. Dus op dat vlak zou het kloppen. En wat betreft het gevoelens hebben geen grenzen ding, het is moeilijk te bewijzen, maar het klinkt logisch. En ze werd ook weleens aangesproken als een jongen. Op haar eerste grote vergadering was er een andere leerling die haar een jongen noemde. Ze kon haar geur niet ruiken, dus het was duidelijk dat ze zich als een jongen gedroeg of voelen anderen het gewoon aan? Dauwkit, de jongste kitten, noemde haar ook eens een jongen en zij kon haar geur prima ruiken destijds. Dus ze gedraagt zich onbewust ook anders als ze zich een jongen voelt of geen van beide. Wat ben je eigenlijk als je geen van beide bent? In feite zit je tussen de twee in dus ben je neutraal. Noem je dat dan geslachtsneutraal? Maar het is wel een geslacht toch? Noem je het dan neutraal geslacht? Maar dat is zo lang. Het zal haar niks verbazen als katten het dan gewoon gaan afkorten naar neutraal, maar op zich is dat niet zo erg. Neutraal klinkt prima. Een geluksgevoel komt over haar heen. Ze weet eindelijk wie ze is. Met een glimlach kijkt ze naar de kittens die stoeiend de krijgers in de weg zitten. Het leven lijkt nu een stuk beter.

Hoofdstuk 4

Een maan verstrijkt. Haar poten waren een halve maan geleden genezen. Hulstpoot keerde alleen terug. Mistelpoot is gestorven door de aanval van een vos. Hij is een stuk aardiger geworden, maar Rozenpoot is er nog niet over uit of het is omdat hij geen andere keuze heeft of omdat hij haar echt mag. Haar leven lijkt eindelijk beter te gaan. Ze neemt nu elke dag vijf minuten de tijd om te beslissen hoe ze zich identificeert en dan lijkt alles plotsklaps makkelijker. Ze begrijpt nu ook beter waarom ze iets doet. Zij en Laurierpoot zijn nog hechter geworden, maar ze heeft er nog met niemand over gepraat. Ze voelt zich er wel klaar voor. Ze moet alleen nog een geschikt moment vinden.

Met een triomfantelijk gevoel trippelt ze terug naar de patrouille. Niet alleen zijzelf is enorm gegroeid, nu ze gelukkig is jaagt en vecht ze ook beter. Ze is nu één van de beste jagers in de clan en Laurierpoot wint niet zo snel meer van haar bij vechttrainingen. Vandaag heeft ze vier muizen en drie konijnen gevangen. Dat is best wel veel. Dan kun je al ongeveer vijf krijgers voeden.

“Goed gejaagd, ik denk dat ik je vorderingen eens met Netelster moet bespreken,” zegt haar mentor als ze de hoeveelheid prooi van haar leerling ziet. Rozenpoot lacht. Dat doet ze ook veel vaker nu. Echt lachen. Vroeger was het nooit meer dan een glimlach. Ze heeft ook meer vrienden, alhoewel Laurierpoot nog steeds haar beste vriendin is. Ze trekt regelmatig op met Klauwpoot en Sneeuwpoot, die onlangs leerlingen zijn geworden. Ze is nu op een patrouille met Klauwpoot en zijn mentor Vlamstorm. De rode leerling is nog niet zo succesvol, maar dat was waarschijnlijk ook de reden dat hij met haar en Vinkvleugel mee ging. Ze had heus wel door dat hij haar bekeek met zijn mentor.

“Laten we terug gaan,” zegt Vlamstorm. Vinkvleugel knikt en gaat voorop. Klauwpoot gaat naast Rozenpoot lopen.

“Deed ik het een beetje goed?” vraagt hij onzeker. De rode kater is pas een kwart maan in training en heeft vandaag drie prooien gevangen.

“Ja, voor een beginnend leerling wel. Het duurde voor mij wel wat langer voordat ik met drie prooien terugkwam,” zegt Rozenpoot.

“Echt?” vraagt Klauwpoot.

“Ja, ik had nooit zoveel zin in de training,” lacht Rozenpoot. Klauwpoot glimlacht trots en loopt naar zijn mentor. Hij begint enthousiast tegen hem te praten.

Vinkvleugel komt naast Rozenpoot lopen.

“Je bent erg veranderd. Je lijkt blijer, mag ik vragen hoe dat komt?” vraagt ze.

“Ik had gevoelens waar ik moeite mee had en ik heb het een soort van opgelost of in elk geval beter gemaakt,” zegt Rozenpoot. Vinkvleugel glimlacht.

“Dat is fijn om te horen.” Rozenpoot glimlacht ook.

“Ja.” Het kamp komt in zicht. Rozenpoot loopt wat sneller en gaat als eerste door de tunnel. Als ze haar prooien op de prooihoop heeft gelegd kijkt ze om zich heen of ze Laurierpoot ziet. Ze komt net uit het oudstenhol met wat mos. Ze verdwijnt in het medicijnhol. Als ze weer terug naar buiten loopt springt Rozenpoot naar haar toe.

“Hé,” zegt Rozenpoot.

“Hé, goede jacht gehad?” vraagt ze glimlachend. Ze voelt haar hart een sprongetje maken bij de vraag.

“Ja, ik heb best veel prooi gevangen,” zegt ze.

“Dat is mooi,” zegt Laurierpoot. “Ik heb eigenlijk wel zin om even te jagen,” zegt Laurierpoot.

“Dat is goed, wij waren de laatste patrouille van vandaag,” zegt Rozenpoot. De twee poesen steken de open plek over.

“Wij gaan even jagen,” zegt Rozenpoot tegen Vinkvleugel. Haar mentor knikt. Snel volgt Rozenpoot haar vriendin het bos in.

“Waar wil je jagen?” vraagt Rozenpoot.

“Zullen we naar de beek gaan?” stelt Laurierpoot voor. Rozenpoot knikt. De beek is een aftakking van een gevaarlijke rivier die aan de rand van hun territorium loopt. De beek loopt dwars door hun territorium heen. Toen de Hemelclan hier ging wonen hebben ze op verschillende plekken stapstenen neergelegd. Regelmatig worden die plekken gecontroleerd.

“Wie er het laatste is is een uilenbal,” roept Laurierpoot, die al meteen een voorsprong heeft.

“Hé, dat is niet eerlijk,” roept Rozenpoot terwijl ze zichzelf in beweging zet. Ze maakt grote passen. Laurierpoot zit een paar staartlengtes voor haar. Varens zwiepen in haar gezicht als ze er langs rent. Langzaam begint ze op Laurierpoot in te lopen. Ze kan haar alleen net niet inhalen. Ze is nog steeds klein voor haar leeftijd namelijk, alhoewel ze een betere conditie heeft dan haar vriendin.

Als ze stoppen beslist Rozenpoot dat ze het gaat zeggen.

“Lau.”

“Ja,” de poes kijkt om.

“Ik moet je wat zeggen.” Laurierpoot kijkt haar afwachtend aan.

“Ik voel me niet altijd een poes. Soms voel ik me een kater en soms geen van beide,” gespannen kijkt ze naar Laurierpoot. Ze antwoordt niet. Rozenpoot laat haar oren hangen en tranen springen in haar ogen.

“Het is oké. Ik snap het als je me haat,” zegt ze, “Ik wil even alleen zijn.” Laurierpoot lijkt niet te luisteren. Ze heeft een puzzelende uitdrukking op haar gezicht. Rozenpoot loopt langzaam weg, hopend toch een reactie te krijgen van haar vriendin. Gewoon een reactie, goed of slecht. Maar er komt niks.

Rozenpoot klimt in een boom en gaat op een tak liggen. Ze wikkelt haar staart om de tak. Het kleine beetje hoop vloeit uit haar weg zodra ze alleen is en haar tranen lopen over haar gezicht. Ze is haar beste vriendin kwijt. Wat heeft ze hier dan nog te zoeken? Ik heb toch geen vrienden nodig. Ik ben sterk genoeg alleen. Ze weet dat ze tegen zichzelf liegt en het maakt haar alleen maar verdrietiger. Ik blijf vannacht wel hier. Dan kijk ik morgen wel verder, beslist Rozenpoot.

Hoofdstuk 5

De volgende morgen is ze helemaal verkleumd als ze wakker wordt. Ze valt bijna uit de boom, doordat ze vergeten was dat ze in een boom heeft geslapen vannacht. Gehaast stopt ze haar klauwen in de schors. Even bungelt ze aan de tak voordat ze zichzelf optrekt. Haar voorpoten doen weer pijn. Hoe gaat ze in godsnaam naar beneden komen. Ze tuurt naar beneden. Ze is niet van plan om weer eruit te springen, maar als ze niet te hoog zit, kan ze het wagen.

Rozenpoot schat de afstand in. Drie meter, dat is iets teveel van het goede. Heel voorzichtig klimt ze naar beneden. Ze sist gefrustreerd door de pijn. Voorzichtig springt ze de laatste halve meter naar beneden. Ze zakt een beetje door haar voorpoten als ze de grond raakt. Ze sist weer gefrustreerd. Ze gaat even liggen en beslist dan terug te gaan.

Tijdens het lopen warmen haar spieren weer op. Na vijf minuten komt ze aan bij het kamp. Nu pas kijkt ze naar de lucht om te weten hoelaat het is. De zon begint al op te komen.

Ze gaat het kamp in. Het interesseert haar allemaal niet meer, niemand geeft om haar. Dus waarom zou ze dan nog doen alsof het haar interesseert? Snelsprinter, haar vader, is al wel op.

“Hé Rozenpoot, waar was je vannacht?” vraagt hij, “Laurierpoot was erg bezorgd.”

“Ik wilde even alleen zijn,” antwoordt ze.

“Alles goed?” vraagt hij als hij de ongeïnteresseerde blik op haar gezicht ziet.

“Ja, het gaat prima,” zucht ze.

“Wij gaan even praten,” zegt hij.

“Oké,” zucht ze. Ze zou het liefst in haar nest duiken en er nooit meer uitkomen. Toch volgt ze hem het kamp uit.

“Wat is er met je? Gister ging het allemaal goed met je,” vraagt Snelsprinter.

“Ik heb haar een geheim verteld en ze heeft nog niet echt een reactie gegeven, maar ik rende weg, omdat ik bang was dat ze me haatte,” zegt Rozenpoot.

“Ik weet zeker dat ze je niet haat. Ze was heel erg bezorgd om je,” zegt Snelsprinter, “Ik denk dat jullie gewoon met elkaar moeten praten. Ik denk dat het gewoon één groot misverstand is.” Rozenpoot knikt.

“Ik zal met haar praten,” ze twijfelt of ze het ook tegen haar vader wil vertellen nu, maar ze wil eerst dingen bespreken met Laurierpoot voor ze het aan iemand anders wil vertellen.

“Zullen we terug het kamp in gaan?” vraagt Snelsprinter, “Dan zal ik ervoor zorgen dat Laurierpoot na de dageraadpatrouille met je zal praten.” Rozenpoot knikt.

“Wacht je dan aan het eind van de Schaduwclangrens in een boom?” vraagt hij. Rozenpoot knikt weer en kijkt dankbaar naar haar vader. Hij knikt vriendelijk en gaat terug het kamp in. Rozenpoot maakt koers naar de Schaduwclangrens en verstopt zich daar in een boom. Na een half uurtje verschijnt de patrouille.

“Laurierpoot blijft hier. Wij gaan terug naar het kamp. Geen vragen,” zegt Snelsprinter. Na een paar minuten hoort ze de patrouille onder haar boom door lopen. Na nog een paar minuten klautert ze naar beneden. Laurierpoot staat daar te wachten. Even blijft het stil, maar dan barst Laurierpoot uit.

“Het spijt me zo erg! Ik had moeten antwoorden, maar ik moest er even over nadenken. En dat je zo bent verandert niks, je zal altijd mijn vriend zijn,” Laurierpoot stopt als Rozenpoot haar staart opsteekt. Tranen van blijdschap stromen over haar wangen.

“Heb ik iets verkeerds gezegd?” vraagt Laurierpoot bezorgd.

“Nee nee, ik ben gewoon heel blij,” zegt Rozenpoot. Ze glimlacht door haar tranen heen. Laurierpoot glimlacht ook en duwt haar neus in haar vacht.

“Ik ben blij dat het weer goed is,” mauwt ze. Rozenpoot knikt.

“Heb je het al aan anderen verteld?” vraagt Laurierpoot.

“Nee, jij bent de eerste,” zegt Rozenpoot.

“Ik ben vereerd,” lacht Laurierpoot, “Maar het is best frisjes nog. Zullen we terug gaan?” Rozenpoot knikt.

Lopend gaan ze terug. Ze wil het vandaag tegen haar vader zeggen. Nu ze het tegen haar vriendin heeft gezegd wil ze er zo snel mogelijk klaar mee zijn.

“Maar ik vraag me eigenlijk af, hoe kun je je geen jongen en geen meisje voelen?” vraagt Laurierpoot als ze op de helft zijn.

“Nou, ik denk dat gevoelens meer richtingen kennen dan de manier waarop je eruitziet,” zegt Rozenpoot.

“Klinkt logisch,” mauwt Laurierpoot. De kampingang komt snel in zicht. Ze lopen naar binnen. Tot haar opluchting ziet ze Snelsprinter nog op de open plek zitten.

“Wil je dat ik erbij ben?” vraagt Laurierpoot. Even twijfelt ze, maar dan schudt ze toch haar kop.

“Dit moet ik alleen doen,” zegt ze. Laurierpoot knikt begrijpend. Zodra Snelsprinter hen ziet komt hij naar ze toe.

“Veel succes,” fluistert Laurierpoot voordat ze bij haar wegloopt. Ineens voelt Rozenpoot zich heel alleen, maar het is al te laat om Laurierpoot terug te roepen. Snelsprinter staat al bij haar.

“En? Is het goed tussen jullie?” vraagt hij. Rozenpoot knikt. Ze wiebelt op haar poten.

“Kan ik je iets zeggen? Privé,” vraagt ze zacht. Snelsprinter knikt en volgt haar het kamp uit.

Een eindje van het kamp maken ze het zich gemakkelijk.

“Wat wil je vertellen?” vraagt hij nieuwsgierig.

“Ik voel me niet altijd een poes,” zegt ze zo kalm mogelijk.

“Dus je voelt je ook weleens een jongen?” vraagt hij.

“Ja, en soms geen van beide,” zegt ze.

“Geen van beide?” herhaalt Snelsprinter een beetje verbaasd.

“Ja, soms voel ik me geen jongen en geen meisje,” zegt ze. Ze snapt dat zoiets moeilijk te begrijpen is voor katten die het niet meemaken. Zover zij weet is ze ook de enige.

“Het verandert dus van tijd tot tijd? Hoe je je identificeert?” vraagt Snelsprinter.

“Ja, meestal voel ik me een paar dagen hetzelfde,” zegt ze.

“En hoe weet je welk geslacht je bent?” vraagt Snelsprinter.

“Ik neem gewoon elke dag wat tijd als ik wakker wordt om naar mijzelf te luisteren en vaak kom ik er dan wel achter,” zegt ze. Snelsprinter knikt.

“Als je ergens hulp bij nodig hebt kun je altijd naar me toekomen,” zegt hij.

“Ik heb eigenlijk ook hulp nodig van een volwassene. Het gaat om mijn naam: Rozenpoot. Het past niet echt bij me. Kan het veranderd worden bij mijn krijgersceremonie?” vraagt ze.

“Niet eerder?” vraagt hij.

“Ik heb binnenkort mijn beoordeling en ik vind wat extra tijd voor ik het de clan vertel wel fijn, maar Netelster moet het natuurlijk wel weten,” zegt ze.

“Ik zal het hem vertellen. Ik neem aan dat je een naam wilt die zowel voor katers als poezen kan?” vraagt Snelsprinter. Rozenpoot knikt.

“Het liefst wel,” zegt Rozenpoot. Snelsprinter knikt.

“Ik zal het er met hem over hebben,” zegt hij. Rozenpoot glimlacht. Ze kan niet wachten op haar krijgersceremonie!

Hoofdstuk 6

Ze heeft zojuist haar beoordeling gehad. Zenuwachtig drentelt ze om haar mentor heen als ze terug lopen naar het kamp.

“Je hebt het heel goed gedaan,” verzekert Vinkvleugel haar. Dat is niet waar ze zenuwachtig om is, ze weet dat ze het goed gedaan heeft. Het is meer die grote onthulling die te wachten staat. Ze weet dat er katten zullen zijn die er slecht op reageren. Ze kan slechts hopen dat er genoeg zijn die het wel accepteren. Haar moeder Hindezang en haar broer Hulstpoot weten het beiden nog niet. Ze is met Hulstpoot wel hechter geworden, maar haar moeder is nooit echt een goede moeder geweest voor haar. Ze vindt haar ook schuldig aan Mistelpoots dood.

Ze probeert de zenuwen een beetje in de hand te houden. Onbewust kijkt ze de hele tijd naar Hulstpoot. Hij merkt het en komt dichter bij haar lopen.

“Waarom ben je zo zenuwachtig? Je hebt het fantastisch gedaan,” zegt Hulstpoot. Rozenpoot glimlacht naar hem.

“Het is iets anders, maar dat zul je zo wel zien,” zegt ze. Hulstpoot kijkt haar nieuwsgierig aan, maar vraagt niet door.

De zenuwen komen helemaal terug als ze het kamp inloopt. Netelster staat al op hun terugkeer te wachten. Hij weet blijkbaar al dat ze geslaagd zijn. Hij roept een vergadering bijeen en hun mentoren begeleiden ze naar voren. Lauriersintel knikt haar bemoedigend toe als ze langs loopt. Rozenpoot glimlacht flauwtjes naar haar. Ook Snelsprinter geeft haar een bemoedigend knikje. Hulstpoot heeft niks door.

“Ik, Netelster, leider van de Hemelclan, doe een beroep op mijn krijgsvoorouders om op deze leerlingen neer te kijken. Zij hebben hard getraind om uw nobele krijgscode te begrijpen en ik breng hen naar jullie als een krijger op hun beurt. Hulstpoot, Rozenpoot, zweren jullie de krijgscode altijd in ere te houden en je clan te verdedigen met gevaar voor eigen leven?” vraagt Netelster.

“Dat zweer ik,” zeggen ze gelijktijdig.

“Dan geef ik jullie nu jullie krijgersnaam. Hulstpoot, van nu af aan zul jij bekend staan als Hulstnetel. We eren je om je kracht en je zelfvertrouwen. Rozenpoot, van nu af aan zul jij bekend staan als Windpluim. We eren je om je moed en je creativiteit,” zegt Netelster. Windpluim kijkt zenuwachtig om zich heen. Verscheidene katten kijken haar verbaasd aan.

“Hulstnetel! Windpluim!” roept Lauriersintel. Snelsprinter en Netelster vallen in. Nu roepen de meeste andere katten ook mee. Netelster maant de menigte tot stilte.

“Ik snap dat jullie je afvragen waarom Rozenpoot nu Windpluim heet, dus zal ze dat uitleggen. Als ze wilt tenminste,” hij kijkt haar vragend aan. Windpluim knikt. Ze ademt diep in en uit en loopt dan zelfverzekerd naar voren.

Hij wenkt haar om op de Vergadersteen te komen staan. Ze klimt naar boven en keert zich naar de clan.

“Ik heb een andere naam, want ik was niet comfortabel met Rozenpoot. Dat komt omdat ik me niet altijd een poes voel. Soms voel ik me een kater en soms neutraal, geen van beide. Rozenpoot is een naam die bijna alleen maar aan poesen wordt gegeven en ik ben niet altijd een poes,” zegt Windpluim. Zenuwachtig kijkt ze naar de menigte, zoekend naar een reactie.

“Ik vind dat als Windpluim zich fijn voelt bij haar nieuwe naam dat dat gewoon moet kunnen,” zegt Vinkvleugel luid. Er klinkt instemmend gemurmel onder de katten. Ookal ziet ze een paar katten, waaronder Loofvacht en Hindezang, afkeurend kijken.

Windpluim klimt voorzichtig van de steen af en gaat naast Hulstnetel en Lauriersintel staan. Snelsprinter gaat ook bij haar staan. Ze weet dat ze haar zullen beschermen tegen elke kat die haar kwaad doet. Glimlachend bekijkt ze haar vrienden. Het is eruit, ik kan zijn wie ik ben nu.

Advertisement