Wikia


Kladversie

Dit is een kladpagina.

Strijders

Hey allemaal! Dit is een fanfiction die over katten gaat. Het hoofdpersonage is Sneeuw. De serie heet Strijders en het boek zelf heet Storm. Strijders is een serie binnen Strijders. :D Veel plezier met lezen!

Personagelijst

Sneeuw- is een witte poes met prachtige bladgroene ogen.

Wilg- is een donkerbruin gestreepte poes.

Klimop- is een kleine lichtbruine poes.

Krekel- is een stevig gebouwde zwarte kater.

Vos- is een vuurrode poes met een witte buik.

Licht- is een grijze poes met blauwe ogen.

Lijster- is een prachtige schildpadpoes.

Poel- is een grijze kater met grijze ogen.

Nacht- is een zwarte poes met witte poten.

Rat- is een zwarte kater met een gescheurd oor die ook nog eens het puntje van zijn staart mist.

Varen- is een prachtige grijze poes.

Vogel- is een bruine kater die een litteken tussen zijn ogen heeft.

Snel- is een grijze kater met lange poten.

Slang- is een crèmekleurige kater.

Spreeuw- is een energieke bruin gestreepte poes.

Glow- is een grijze poes.

Veer- is een bruine poes.

Zie hoofdstuk 4.


Hoofdstuk 1

Varen hees zich overeind. Ze had veel moeite met opstaan nu ze in verwachting was van Slang. Ze keek om zich heen. Varen zag haar zus Glow en ze zag Slang de struiken uitkomen met een lijster. Ze liep langzaam op hem af en gaf hem een lik over zijn hoofd. Hij keek zijn partner met stralende ogen aan. “Ze zullen even prachtig zijn als jou, schat.” Varen begon te snorren. De struiken ritselden opnieuw. Sneeuw en Wilg kwamen er rennend uit. Zij twee zijn de leiders zeg maar. Al laten ze dat niet altijd merken. De zusjes willen een blije groep vormen en dat is hen gelukt. Nacht kwam puffend de struiken uit. Rat keek angstig naar zijn partner. Hij liep tot bij haar en ondersteunde haar. Ze wreef met haar wang over zijn wang. De altijd stoere krijger straalde alleen maar liefde en blijdschap uit. Vogel, Snel en Spreeuw kwamen het kamp binnen overladen met prooi. Spreeuw had een eekhoorn vast, Snel een haas en Vogel had twee lijsters en een spitsmuis. Ze legden ze op de hoop verse prooi. Poel kwam uit een boom gesprongen die aan de rand van het kamp stond. Toen hij landde keek zijn zus Licht - die op een steen lag te zonnen - met een glimlach toe. Klimop commandeerde Krekel en Veer om muisbessen te gaan halen voor Nacht. Krekel en Veer knikten en verlieten het kamp. Hij botste bijna tegen Vos op die het kamp net binnenkwam, samen met Lijster. Alle katten namen een stuk prooi en gingen ergens in de zon liggen. Krekel en Veer waren al snel terug met de muisbessen. Die waren om ervoor te zorgen dat Nacht zou kalmeren en zou slapen. Ze klaagde namelijk van een gebrek aan slaap. Nadat ze hun prooi opgegeten hadden begonnen ze elkaar te wassen. Sneeuw begon haar zus Wilg op haar schouder te wassen. Al gauw viel de nacht en de katten zochten allemaal een plekje om te slapen. Rat sliep naast Nacht en Slang sliep dus ook naast Varen. Het was heel erg stil in het kamp. Iedereen was al in een diepe slaap getuimeld. Plotseling werd de stilte verbroken doordat in de verte een hond blafte. Niemand merkte dat geluid op. Het geblaf werd luider en luider totdat er plotseling een hond uit de struiken schoot.


De hond had een bloeddorstige blik. Hij blafte en er kwamen nog vier honden uit de struiken. “Honden!”: gilde Sneeuw. Vogel besprong één van de honden. “We moeten vluchten!”: krijste Wilg. Lijster loodste Varen het kamp uit. Sneeuw haalde hen in. Wilg zorgde ervoor dat iedereen het kamp verliet. Iedereen liep nu achter hen aan. De honden lieten het er niet bij zitten en achtervolgden de katten. De honden haalden hen snel in. “Klim in een boom allemaal!” Iedereen zocht een boom uit. Nacht helemaal versuft van de muisbessen, werd door Rat de boom in geholpen. Glow vond niet meteen een boom en racete naar een dikke eik. Ze wou net springen toen de meuteleider zijn poot op haar staart zette en haar tussen zijn kaken beetnam. Varen krijste het uit. Ze begon te huilen. Varen wou al uit de boom springen, maar Lijster hield haar tegen. Slang hield zijn partner dan ook nauwlettend in de gaten. “Glow is dood. Mijn zus is dood.”: jammerde Varen. De honden waren tevreden met hun vangst en liepen weer weg. Ze sprongen allemaal uit de bomen. “We gaan weer naar het kamp.”: zei Wilg. “Nee Wilg, straks worden we weer aangevallen.”: zei Sneeuw verontwaardigd. “We moeten een nieuw kamp zoeken.”: zei Vos. Sneeuw knikte. Varen was nog steeds aan het jammeren. “Rust in vrede, Glow.”: jammerde ze. Slang trooste haar zo goed als hij kon. “Is iedereen ongedeerd?”: riep Klimop. Iedereen knikte. “Kom! We gaan!”: riep Wilg. “Dit is niet verantwoordt! Varen en Nacht zijn hoogzwanger!”: riep Rat uit. “Heb je liever dat ze ook opgegeten worden door die beesten?”: snauwde Sneeuw. Rat murmelde onduidelijke dingen. Sneeuw knikte toen en ze vertrokken. Sneeuw voorop. Langs de zijkanten de anderen, in het midden Varen en Nacht en helemaal achteraan Wilg.



Hoofdstuk 2

Ze liepen het bos uit en keken allemaal achterom. Ze keken naar de heide die ze moesten oversteken. Wilg zuchtte. Het gras stond zo hoog dat je erin kon verdwalen. Ze liepen in een rij door het hoge gras. Sneeuw liep voorop. Gevolgd door Wilg. Uiteindelijk kwam Sneeuw al struikelend uit het hoge gras. De rest kwam er ook al struikelend uit. Sneeuw draaide zich al om, om verder te gaan. Toen Slang plotseling riep: “Varen is weg!” “Wat!”: riep Rat. Ze raceten allemaal het hoge gras in. “Varen!” “Vareeeen!” “Waar ben je!?” Plotseling botste Spreeuw tegen iemand op. “Ik heb haar gevonden!”: riep Spreeuw uit. Ze leidde Varen het hoge gras uit. Slang liep nerveus op zijn partner af. Toen zag hij het kleine bundeltje op Varens rug. “Ben je bevallen? Klimop! Varen is bevallen!”: riep Slang uit. “Ik ben niet bevallen, schat. Ik vond deze kitten, ik rook geen geur van een moeder.” Oef. Slang zuchtte. “Hoe heet ze?”: vroeg Slang. “Lelie.” “Prachtige naam!”: zei Veer. Sneeuw keek met een stralende blik naar Lelie. Wilg draaide met haar ogen. Sneeuw was altijd zo een dromerig romantisch zieltje geweest. Toch moesten ze verder. “Sneeuw! We moeten rusten!”: riep Rat. “Ik kan niet meer!” “Ik heb honger!” “We moeten eten!” “Stilte! We zoeken een plek om te rusten en gaan dan jagen!”: riep Wilg. Lelie begon te piepen. Slang nam haar bij haar nekvel en zette haar op de grond. Varen ging naast Lelie zitten en begon haar te likken. Ze stapten nog de hele nacht door. Ook Sneeuw werd moe, dat moest ze bekennen. Plotseling dook er uit het niets een zwarte kater voor haar op. Ze zette haar vacht overeind. “Rustig maar. Ik zag jullie aankomen, jullie moeten wel doodop zijn.” Slang ging beschermend voor Varen staan. “Ik wil jullie een slaapplaats aanbieden, er zijn ook genoeg muizen.” “Wie zegt dat we jou kunnen vertrouwen?”: spuugde Rat. Sneeuw keek achterom en zag hoe Nacht de grootste moeite had om op haar poten te blijven staan. “Oké.” Rat keek Sneeuw afkeurend aan. “Wie ben jij eigenlijk?”: vroeg Wilg op haar hoede aan de zwarte kater. “Ooh ja, mijn excuses, mijn naam is Schim.” “Ik ben Wilg en dit is mijn zus Sneeuw.” Sneeuw knikte naar Schim. Haar vacht ging weer liggen. “Volg me.” Sneeuw en Wilg gebaarden de groep om te volgen. Schim leidde hen naar een verlaten schuur. Het lag er helemaal vol met stro en ze konden de muizen zelfs al horen! “Toe, ga zitten.”: zei Schim. Iedereen liet zich letterlijk op het stro vallen. Sneeuw en Wilg hadden veel moeite om overeind te blijven. “Hoelang kunnen we hier blijven?”: vroeg Wilg. “Zolang als jullie wensen te blijven.”: zei Schim glimlachend. Wilg en Sneeuw keken elkaar aan. “Misschien toch twee of drie dagen, we zijn totaal uitgeput.”: zei Sneeuw. “Natuurlijk.”: zei Schim. “Toen ik zag dat jullie kwamen, kreeg ik het idee wat muizen te vangen.”: zei Schim. Hij toonde Sneeuw en Wilg de hoop muizen en hij hielp de zusjes met het verdelen ervan. Uiteindelijk sloot Sneeuw haar ogen en viel in slaap.

Het was maanhoog toen Sneeuw wakker werd. Wat had haar wakker gemaakt? Ze deed alsof ze sliep maar speurde ondertussen de omgeving af. Daar! Er liep daar een kat. Het was een halflangharige zwarte kater. Ze sloop een beetje naar voren en sprong. Ze landde op de schouders van de kater. Die slaakte een kreet van angst. Ze rolden om en om. Sneeuw kon bovenop de kater kruipen. De kater lag nu op zijn rug. Ze wou hem net met haar klauwen toetakelen aan zijn kwetsbare buik, maar plotseling zei Schim; “Zo zoon, je hebt Sneeuw dus al ontmoet.”

Sneeuw rolde van de kater af. De kater kwam overeind en schudde het stro van zich af. “Sorry, …” “Duister.” “Sorry, Duister.” “Het geeft niks, ..” “Sneeuw.” Wilg en Rat kwamen geeuwend bij hen staan. “Wat is hier gebeurd?”: vroeg Rat. “Een klein gevecht.”: zei Schim. “Je bloedt.”: zei Sneeuw. “Ach dat is niks.”: zei Duister. Sneeuw kwam naast Duister staan en likte de wond schoon. Duister leek het niet erg te vinden. Wilg en Rat keken elkaar grijnzend aan. “Nu zal die wond niet ontsteken.”: zei Sneeuw toen ze de blik van Wilg opving. “Wij gaan weer slapen, he Rat?” “Jaja Wilg, want ik ben moe.” Schim begreep de hint ook en liep weg. Toen iedereen weg was, gebaarde Duister dat Sneeuw hem moest volgen. Ze volgde hem. Hij sprong op een stel houten balken. Sneeuw had geen enkele moeite om hem te volgen. Uiteindelijk kwamen ze aan op een houten platform. Er was een beetje hoger een gat in de planken gesneden waardoor het licht van de maan scheen. Het maanlicht viel op Sneeuw en Duister. Sneeuws vacht leek wel zilver in het maanlicht. Duister keek haar in de ogen, in haar prachtige bladgroene ogen. “Wat brengt jullie hier?”: vroeg hij. “Wij leefden in een bos, waar we jaagden. Twee dagen geleden kwamen er vijf honden bij maanhoog ons kamp binnen. Ze vielen ons aan. We zijn moeten vluchten. Glow zijn we kwijtgeraakt.” “Vandaar dat jullie zo goed kunnen vechten.”: zei Duister. Sneeuw keek hem plagend aan en zei: “Of jij kan gewoon niet goed vechten.” Duister keek haar grijnzend aan en gaf haar een tik tegen haar oor. Ze glimlachte naar hem en zwiepte met haar staart in zijn gezicht.

Wilg werd geeuwend wakker. Ze keek naar de plaats waar haar zus hoorde te slapen. Ze sloot haar ogen weer, maar deed ze toch weer open. Toen ze haar ogen weer opendeed zag ze - op nog geen twee centimeter van haar gezicht - twee zilvergrijze oogjes fonkelen. Ze schrok op, maar herkende toen wie het was. “Lelie! Wat doe jij hier? Je oogjes zijn open!” “Dag Wilg. Ik wou eens kennismaken.” Wilg snorde. Ze kwam overeind en duwde Lelie zachtjes vooruit met haar neus. “Hey Varen! Ik heb iets gevonden van jou.”: zei Wilg. Varen kwam meteen overeind en keek geschrokken naar Lelie. “Liefje! Je oogjes zijn open!”: riep Varen blij en geschrokken. Slang schoot overeind en keek zijn dochter glimlachend aan. Sneeuw kwam bij haar zus staan met drie muizen die ze gevangen had. “Een goede jacht gehad, zus?” “Ja hoor.”: zei een stem achter Sneeuw. “Hey Duister!” “Hey Wilg.”: zei de kater vriendelijk terug. Rat kwam bij ook bij de groep staan. “Niks is beter dan wakker worden met de geur van verse prooi in de lucht!”: riep hij uit. Wilg snorde. Nacht hees zichzelf overeind en keek met stralende ogen naar de spelende Lelie. Nacht schopte een mosballetje naar de kitten. Lelie hield haar hoofd schijn en keek peinzend. “Ik weet iets!”: piepte ze. “Wat weet je, liefje?”: vroeg Slang. “Mosbal! Je moet het balletje in de lucht proberen houden door het naar elkaar te gooien.”: piepte Lelie. “Goed idee, schat.”: zei Varen. Sneeuw schepte het balletje op en gooide het omhoog. Duister sprong en schoot het balletje de lucht in. Toen was het aan Slang, die deed het richting Lelie. Ze sprong en gooide het balletje in een mooie boog naar Wilg. Zij gooide het op haar beurt omhoog. Schim schoot tevoorschijn. Algauw verschenen alle katten en deed iedereen mee. “Je bent een natuurtalent Lelie!”: riep Rat. Mosbal werd even stilgelegd toen het balletje op een van de houten balken terechtkwam. Zonder iets te zeggen, klom Sneeuw omhoog. “Sneeuw! Straks val je nog!”: krijste Wilg. Sneeuw liep over de balk alsof ze dat al duizenden keren gedaan had. Ze haakte het balletje aan haar klauwen en sprong van de balk. Sneeuw gooide het balletje op en Wilg gooide het naar Poel. De meesten keken Sneeuw verbluft aan. Uiteindelijk stopten ze met Mosbal. Ze gingen allemaal nog wat jagen, het was tenslotte al aan het schemeren. Wilg sprong op een baal stro en riep: “Morgenochtend vertrekken we weer!”

Sneeuw werd knipperend wakker en zag dat er een muis naast haar lag. Ze rook dat Duister hem gevangen had. Sneeuw had gisteravond afscheid genomen van Duister. Hij stond bij een opening in de schuur. Ze at haar muis op en trippelde toen op hem af. “Ik ga je missen.”: zei ze. Sneeuw gaf hem een lik over zijn snuit en draaide zich toen om. Ze wou niet dat hij het verdriet in haar ogen zou zien. Ze merkte dat iedereen klaar was voor vertrek. Sneeuw wenkte hen. Sneeuw liep snel nog eens bij Schim. “Bedankt, Schim. Als we ooit iets terug kunnen doen, dan zeg je het maar.” Zo vertrok de groep van Wilg en Sneeuw opnieuw. Ze beklommen een heuvel. Sneeuw keek achterom en zag dat Schim hen nakeek. Uit de schaduwen voegde een zwarte kater zich bij Schim. Sneeuw stak haar staart omhoog ten afscheid en trippelde toen weer weg. “Sneeuw, Wilg, het klinkt misschien idioot maar kunnen we niet even rennen?”

Hoofdstuk 3

Sneeuw en Wilg knikten en iedereen begon te rennen. Ze lachten en sprongen over boomstronken. “We zijn vrij!”: krijste Spreeuw. Zelfs Varen en Nacht probeerden mee te lopen. Het ging niet zo snel, maar ze liepen mee. Ook zij lachten. Ze liepen een tweede heuvel op. Sneeuw stopte abrupt. Wilg knalde tegen haar aan. “Ik denk dat we onze nieuwe plek gevonden hebben.”: mauwde ze. “Het is perfect. Een sparrenbos, een stuk heide, een rivier, een klein meer, en een loofbos.”: vervolgde ze. “Kijk! Er is ook een moeras!”: riep Rat. Sneeuw volgde zijn blik en zag inderdaad een moeras. Wilg riep: “Slang, Rat en Spreeuw! Jullie gaan met ons mee op terreinverkenning.” De drie katten knikten en liepen achter hun leiders aan. “Beginnen we met de heide?”: vroeg Wilg. “Ik zou eerlijk gezegd eerder beginnen met het sparrenbos.”: zei Sneeuw. Wilg keek haar zus nijdig aan maar knikte toen. Ze sprongen over de rivier en kwamen het sparrenbos in. Spreeuw zette haar poot net neer op het moment dat Sneeuw riep: “Spreeuw! Dat is drijfzand!” Spreeuw draaide zich om en probeerde haar poot los te krijgen maar het lukte niet. Sneeuw holde op haar af en hielp haar. Spreeuw viel met een harde klap op haar achterste op de grond. Ze waren in het moeras beland. Ze liepen verder op hun hoede door het moeras. In het sparrenbos was de geur van prooi heel erg sterk. Ze roken vossen, maar de holen waren verlaten. Uiteindelijk kwamen ze aan in het loofbos. Wilg dwaalde af van de groep en plotseling was ze hen kwijt. Ze hoorde gegrom achter zich. Ze draaide zich om en kwam oog in oog te staan met een vos. De vos gooide haar aan de kant en wou haar net bijten toen er een grijze gestalte op de rug van de vos sprong. De vos vluchtte jankend weg en de grijze kat keek haar in de ogen. De grijze kat verdween en maar een paar seconden later kwamen Sneeuw, Slang, Rat en Spreeuw uit de struiken. “Ben je gewond Wilg, ik hoorde een vos!”: riep Sneeuw uit. “Alles is in orde zus.” “Is de vos weg?”: vroeg Rat. Wilg knikte. Ze keek naar de struiken waarin de grijze kat verdwenen was. Waarom had die kat haar geholpen? Wie was die kat? Ze liepen verder door het loofbos en bekeken daarna de heide. Ze roken een paar verlaten dassenburchten. Tegen dat het begon te schemeren kwamen ze weer bij de andere katten. Ze begeleiden hen naar het meer. “Zo, waar gaan we ons kamp vestigen?”: vroeg Slang. “In het loofbos.”: zei Sneeuw. “In de heide!”: zei Wilg. “Loofbos!” “Heide!” “Wilg, de heide is geen goede plaats!” “Het bos wel ofzo?”: kaatste Wilg terug. “Ho! Kunnen we dit niet beslissen als een groep?”: zei Varen. “Nee!”: gilde Wilg “Want er zijn nu twee groepen!”: krijste ze. Sneeuw kwam met haar snuit tegen die van Wilg staan. “Prima!” Het bliksemde in de verte. “We lossen het nu meteen op!”: krijste Sneeuw. Sneeuw sprong op een rots en Wilg op een andere. “Goed katten! We roepen elk om de beurt een naam, dan zeg je bij wie je wilt horen! Rat!”: riep Wilg. “Ik wil bij Wilg horen.” Hij stapte op Wilg af. “Kunnen we dit niet oplossen?”: vroeg Varen. “Slang.”: krijste Sneeuw. “Sneeuw.”: murmelde hij. Rat keek Slang met tot spleetjes geknepen ogen aan. “Poel!” “Ik ga voor jou, Wilg.” Wilg knikte tevreden. “Vos!”: riep Sneeuw. “Ik kom bij jou, Sneeuw!” “Spreeuw?”: vroeg Wilg. “Ik ga voor Sneeuw, sorry Wilg.” Spreeuw was samen opgegroeid met de twee zusjes. Wilg keek Spreeuw nijdig aan. Uiteindelijk kwamen ze tot twee stammen. Sneeuw, de altijd lieve Sneeuw, was razend op haar zus. “Misschien moeten we een regeling afspreken.”: zei Sneeuw. Wilg knikte. “We verdelen het gebied in twee. Hier - het meer - is de grens. Er is dus een gebied met sparrenbomen, moeras en heide en een gebied met loofbomen en heide. Allebei de gebieden hebben een deel van de rivier.” Sneeuw en Wilg overlegden allebei met hun stam welk gebied ze wouden. “Wij willen het gebied met loofbomen.”: zei Sneeuw. “Dan hebben jullie geluk want wij willen het andere gebied.”: zei Wilg. Sneeuw rolde met haar ogen. “Wij kunnen hier niet leven zoals vroeger!”: zei Rat. “We moeten een bepaalde structuur hebben, een regeling!”: riep Slang. “Ik heb een idee!”: riep Klimop. Ze sprong op een van de rotsen. “We hebben sowieso een leider nodig dus die heeft dan de functie van stamleider. Die heeft ook iemand nodig die hem helpt en als de stamleider sterft, dan wordt die stamleider. Die is dus de commandant. Dan heb je ook nog de krijgers. Die kunnen we verdelen in vechters en jagers. Ze krijgen allemaal dezelfde training in hun leerlingentijd, maar als ze hun eindbeoordeling moeten doen, wordt er gekozen of die leerling - op basis van zijn prestatie - vechter of jager wordt. Dan kan je ook nog de functie hebben van moederkat, als je in verwachting bent en dan natuurlijk ook kittens en oudsten.” “Dat is een prima idee Klimop!”: riep Sneeuw. “Maar als we ziek worden of gewond zijn, wie helpt ons dan?”: vroeg Varen. “Misschien een hoofdmoeder. Die functie kan je misschien krijgen door uitgekozen te worden of als leerling aangesteld te worden van een hoofdmoeder.”: opperde Spreeuw. “Dat is geweldig!”: riep Klimop uit. Wilg en Sneeuw keken elkaar nog steeds woedend aan. “Zo! Sneeuwstam, we gaan een kamp zoeken!” Wilg keek haar zus nijdig na. “Wilgstam! Wij gaan ook ons kamp gaan zoeken!”

Sneeuw zag de perfecte plaats. Een kuil omringd door braamstruiken en doornstruiken. Er waren ook veel dicht op elkaar geplaatste bomen waardoor je het kamp pas zag als je uit het bos kwam. “Wat vinden jullie?”: vroeg Sneeuw. “Dat Wilg veel te ver is gegaan en dat ik blij ben dat ik bij jou ben Sneeuw.”: zei Spreeuw. “Ik bedoelde het mogelijke kamp, Spreeuw. Ik ben ook blij dat jij deel wil uitmaken van de Sneeuwstam.” “Het mogelijke kamp lijkt me heel goed.”: zei de poes. Sneeuw, Spreeuw en Krekel begonnen een opening te maken. Varen liet zich hijgend op de grond vallen. Slang keek haar in de ogen en dacht: Geen zorgen, Varen. Ik zorg ervoor dat je zo snel mogelijk kunt slapen in het nieuwe kamp. Hij draaide zich om en begon Krekel en de rest te helpen. Sneeuw stopte plotseling en zei: “Vos en Lijster. Willen jullie ondertussen jagen?” Vos en Lijster knikten en liepen het bos in.

Sneeuw trok de laatste tak weg en liep de tunnel door. Haar mond viel open van verbazing. Ze zag een hoge dunne rots aan de overkant van het kamp staan. Ook zag ze een hoop stenen. Toen viel haar oog op een omgevallen boom. Ze wou op en neer springen als een kitten, maar ze hield zich in. Slang kwam naast haar staan. “Sneeuw…dit is perfect.” De stam kwam al snel het nieuwe kamp binnen. Spreeuw keek goedkeurend rond. Sneeuw keek naar de stilaan donker wordende lucht. “Klimop en Krekel. Willen jullie nog wat prooi verzamelen? Ik stel voor dat we vanavond gewoon onder de sterren slapen. Slang, Snel en Spreeuw. Ga mos, veren en bladeren verzamelen, voor de nestbekleding.” De katten knikten en haasten zich het kamp uit. Toen iedereen weg was ging Sneeuw op zoek naar Varen. Ze zag de poes achter de rotsblokken liggen. Plotseling besefte Sneeuw wat Varen aan het doen was.

Wilg zuchtte. Ze had geen enkele goede plaats gevonden om een kamp te bouwen. Morgen zouden ze het proberen op de heide. Ze had een paar katten op jacht gestuurd. Wilg was alleen met Nacht en Licht in het kamp. Nacht en Licht waren gezellig aan het kletsen. Wilg voelde plotseling dat er iets niet klopte. Ze keek achter zich en zag daar in de struiken twee gele ogen die haar recht in de ogen keken.

“Varen! Moet ik Slang halen?” “Nee.”: kreunde ze. Sneeuw zag twee lichtblauwe bessen liggen en rolde ze naar Varen. “Klitbessen.”: zei ze. Varen at ze allebei op. “Komaan Varen, je kunt het.” Varen krijste het uit. Sneeuw hoorde dat er katten het kamp naderde. Ze liet Varen alleen. Ze zag dat het Slang, Snel en Spreeuw waren. Ze liep hen tegemoet en zei: “Slang! Varen is aan het bevallen!” Toen Slang dat hoorde, stormde hij weg en gooide de veren en het mos ergens in het kamp aan de kant. Spreeuw en Sneeuw volgden hem.Toen ze alle drie de hoek omkwamen, zagen ze dat Varen haar kop oprichtte en ze zei: “Dag schat, je bent vader van twee dochters en een zoon.” Slang ging naast Varen liggen en besnuffelde zijn kittens. Plotseling kwam Lelie uit de struiken. “Speelvriendjes!” “Nog sterker, Lelie, het zijn jouw zusjes en jouw broer.”: zei Sneeuw. “Hoe heten ze?”: vroeg Slang. “Dit poesje heet Hert, dit poesje heet Kastanje en het katertje heet Schram.”: zei Varen. Spreeuw en Sneeuw keken elkaar glimlachend aan. Ze lieten Slang en Varen even alleen met hun kittens. Snel kwam op hen afgesneld. “Alles goed verlopen?” “De stam heeft drie nieuwe leden; Hert, Kastanje en Schram.”: zei Spreeuw. Snel glimlachte en hielp de twee poezen met het verzamelen van het nestmateriaal. Ze maakten er voor iedereen een nest van. Even later kwamen Vos, Lijster, Klimop en Krekel terug. Ze hadden meer dan genoeg prooi mee. Klimop had twee eekhoorns kunnen vangen, Krekel een haas, Vos drie spitsmuizen en Lijster een spreeuw en een muis. Sneeuw groef een kuil aan de voet van het grote rotsblok. Daar lieten ze de prooi invallen. “Katten! We hebben genoeg gewerkt! Neem allemaal maar een stuk prooi en ga dan maar slapen. Morgen hebben we veel werk te doen.”

Sneeuw knipperde haar ogen open. Ze keek om zich heen of ze Wilg niet zag, maar ze besefte plotseling dat Wilg voortaan niet meer naast haar zou slapen. Ze stond op en liep naar de hoop stenen. “Sneeuwstam! Verzamelen!” “We hebben vandaag veel werk! Ik wil wachten tot het verdelen van de functies totdat ons kamp klaar is.” Sneeuw wierp snel een blik naar de kuil waar normaal gezien verse prooi zou moeten liggen. “Vos en Lijster! Jullie gaan samen met mij op jacht.” De twee poezen knikten en gingen aan de kant staan. “Slang, Snel en Spreeuw, ga nestbekleding zoeken!” “Krekel, jij verzamelt takken en struiken voor onze holen. Klimop, jij weeft de takken en struiken in elkaar, zo hebben we een dak boven ons hoofd voor ‘s nachts.” Klimop liep naar Varen toe. Ze ging de moederkat - terwijl ze wachtte op de takken die Krekel haar zou komen brengen - gezelschap houden. Sneeuw, Lijster en Vos liepen naast elkaar door het bos. “Gaan we naar de heide?”: vroeg Lijster. Sneeuw knikte. De geur van konijn kwamen hen tegemoet. Sneeuw zag twee oren boven een plant uitsteken. Ze draaide zich om, zodat het konijn haar niet zo ruiken. Vos kwam van de andere kant op het konijn af en Lijster zat verborgen achter een steen, te wachten totdat het konijn op haar af zou komen. Het konijn rook Vos en maakte dat hij wegkwam. Lijster was te laat om het konijn te grijpen en schoot er dus maar achteraan. Uiteindelijk was het Sneeuw die het konijn te pakken kreeg. “Mooie vangst!” Sneeuw draaide zich om en zag Licht de helling afkomen. Lijsters rugharen kwamen overeind. Sneeuw wou roepen dat Licht op haar eigen territorium moest blijven, maar ze besefte dat ze op Wilgterritroium stonden. Ze zag de omgevallen boomstam een paar meter achter hen. Sneeuw en Wilg hadden gisteren de grenzen besloten en gemarkeerd. Licht kwam naast hen staan en keek geschrokken naar Lijster. “Komaan, Lijster, we zijn samen opgegroeid! Waarom doe je zo vijandig?” “Ik ben trouw aan de Sneeuwstam.”: snauwde Lijster. Lijster en Licht waren altijd onafscheidelijk geweest, maar dat was nu dus blijkbaar verleden tijd. “Ik snap het al…”: murmelde Licht. Ze draaide zich om en racete de helling weer op. “We moeten snel van Wilgterritroium af.”: zei Vos. Sneeuw was blij dat Vos het ook gemerkt had. Ze nam het konijn vast en liep de grens weer over. Sneeuw keek nog eens achterom en zag bovenop de helling een kat staan: Wilg.

Sneeuw, Vos en Lijster kwamen beladen met prooi, terug in het kamp. Ze legden hun vangst in de prooikuil. Sneeuw hielp Klimop met het maken van de holen, Vos hielp Krekel met het verzamelen van takken en Lijster ging Slang, Snel en Spreeuw helpen met het maken van nesten. Lelie kwam rennend tevoorschijn uit de struiken. Ze hadden al een hol gemaakt voor de moederkatten; de kittenkamer. “Papa! Papa!”: riep ze uit. Slang keek op. “Mag ik helpen?”: vroeg Lelie met grote ogen. “Mag je van je moeder?”: vroeg Slang. De kleine kitten knikte en begon mee te helpen. Slang keek lachend. Lelie nam een lang varenblad vast. Aangezien dat ze nog zo klein was, trapte ze op het blad, waardoor ze struikelde en een koprol maakte. Lelie keek glimlachend om zich heen. Spreeuw gaf haar een lik en hielp haar weer overeind.

“Mama, wil je een verhaaltje vertellen?”: vroeg Lelie. “Natuurlijk schat.” “Er was eens een groep katten die in het bos leefden. Op een dag werden ze aangevallen door honden. Ze vluchten en klommen in de bomen.” Lelie keek aandachtig naar haar moeder. “Een kat kon niet op tijd vluchten en werd gegrepen door de honden…” Varen zag de blik van Lelie en stopte met het verhaaltje. Het was nu eenmaal moeilijk voor Varen om het te verwerken. “Mama, kende je de kat die gegrepen werd?”: vroeg Lelie. Varen keek ongelovig naar haar dochter. “Hoe...hoe weet je dat?”: stotterde ze. “Ik zie je verdriet, mama.”: zei ze. “De kat die gegrepen werd, was mijn zus - Glow.”


Hoofdstuk 4

Wilg werd geeuwend wakker. Ze voelde dat er iemand tegen haar aan lag. Het was iemand klein. Ze opende een oog en zag daar de kleine Roos liggen. Nacht kwam glimlachend bij Wilg staan. Ze nam Roos - haar dochter - op en zette haar voor de poten van Rat neer. Hij keek liefkozend naar zijn dochter. Rat nam haar op en bracht haar naar de kittenkamer. Nacht trippelde haar partner glimlachend achterna. Hij legde Roos naast haar broertjes Wolk en Uil en haar zusje Aarde.

“Sneeuwstam! Ik heb een besluit genomen! We gaan de functies binnen de stam verdelen!” “Omdat we nieuw in dit gebied en ik nog geen commandant heb die me kan helpen bij deze beslissingen, heb ik besloten dat er gestemd mag worden. Op jezelf stemmen is uiteraard verboden.” Ze liet de katten stemmen en ze kwamen tot een besluit. “Sneeuwstam! Er is besloten dat Slang de commandant van de Sneeuwstam zal worden!” Slangs mond zakte open van verbazing. “Bedankt voor het vertrouwen, ik zal de stam beschermen met mijn leven.”: zei hij. Iedereen begon te juichen. “Ik heb ook besloten wie onze hoofdmoeder zal worden; Klimop!” Klimop keek verrast en zei: “Het is me een groot genoegen.” Weer juichte de stam. “Sneeuw!”: riep Krekel. “Ja, Krekel?” “Wie wordt er nu een vechter en wie wordt er nu een jager?” “Daar heb ik ook al over nagedacht! Ik had het idee dat jullie misschien zelf je functie kiezen.” De clan verdeelde zich in twee groepen.


Sneeuwstam

Stamleider

Sneeuw- is een witte poes met prachtige bladgroene ogen.

Commandant

Slang- is een crèmekleurige kater. (Vechter)

Hoofdmoeder

Klimop- is een kleine lichtbruine poes.

Vechters

Spreeuw- is een energieke bruin gestreepte poes.

Krekel- is een stevig gebouwde zwarte kater.

Jagers

Snel- is een grijze kater met lange poten.

Vos- is een vuurrode poes met een witte buik.

Lijster- is een prachtige schildpadpoes.

Moeders

Varen- is een prachtige grijze poes. (Vechter)

Kittens

Lelie- is een prachtig bruin poesje met zwarte strepen.

Hert- is een donkerbruin poesje.

Kastanje- is een donkerrood poesje met groene ogen.

Schram- is een zwart katertje.


Wilgstam

Stamleider

Wilg- is een donkerbruin gestreepte poes.

Commandant

Rat- is een zwarte kater met een gescheurd oor die ook nog eens het puntje van zijn staart mist. (Vechter)

Hoofdmoeder

Licht- is een grijze poes met blauwe ogen.

Vechters

Vogel- is een bruine kater die een litteken tussen zijn ogen heeft.

Jagers

Poel- is een grijze kater met grijze ogen.

Veer- is een bruine poes.

Moeders

Nacht- is een zwarte poes met witte poten. (Jager)

Kittens

Roos- is een langharig wit poesje.

Wolk- is een wit katertje.

Aarde- is een bruin poesje.

Uil- is een donkerbruin katertje.


De functies werden gekozen. De stammen waren nog zeer klein dus er waren soms niet genoeg jagers of vechters. “Ik wil bij zonsopgang een patrouille vechters die langs de grenzen patrouilleert en de grens natuurlijk markeert. Ook wil ik een groep jagers die erop uittrekt en zoveel mogelijk prooi verzamelt. Zo wil ik drie patrouilles per dag. “Ik zal meegaan met de eerste patrouille om te helpen jagen.”: zei Sneeuw. Iedereen knikte. Ze had de patrouilles uiteraard besproken met Slang. Hij was helemaal akkoord met het plan. Het was ook zijn taak om de katten te verdelen. “Vos en Lijster, jullie gaan jagen samen met Sneeuw.” “Spreeuw en Krekel, jullie gaan met mij langs de grenzen.” “Snel, jij helpt het kamp verder op te bouwen samen met Klimop. Vertrek!” Slang wou net vertrekken toen iemand riep: “Mag ik ook mee papa?” “Sorry Lelie, maar je mag het kamp niet uit, maar ik weet wel een andere taak; jij mag je stamgenootjes in het kamp beschermen en helpen.” Lelie haar ogen straalden van blijdschap. “Zal ik doen!” Slang schudde glimlachend met zijn hoofd.

Slang, Spreeuw en Krekel liepen langs de grens. Ze liepen op de heide. Spreeuw rook plotseling iets. “Ik ruik kittens!” Net op dat moment werd Slang omvergeduwd door iets. Slang wierp zij tegenstander van zich af en draaide zich om. Hij stond oog in oog met een wit met zwarte kater. “Wat is hier allemaal aan de hand?”: vroeg een witte poes die plotseling tevoorschijn kwam. “Deze katten wilden onze kittens stelen!”: spuugde de kater. “Stelen?”: echoden de stamkatten in koor. “Waarom zouden wij jullie kittens stelen?”: flapte Spreeuw eruit. De poes keek haar aan alsof dat ze vleugels had. “Wat doen jullie hier dan?”: vroeg de kater. “Wij wonen hier! Wij zijn lid van de Sneeuwstam.” “De Sneeuwstam?” “Ja, de Sneeuwstam.” Plotseling kwam er wit met bruin katertje tevoorschijn. “Marter, ik had je gezegd om daar te blijven.”: zei de poes vermanend. “Sorry, mama.” Toen kwamen er nog twee kittens tevoorschijn; een donkergrijs poesje en een zwart met wit katertje. Slang zag hoe mager de katten waren. “Zijn jullie huiskatten?”: vroeg hij. “Nee, wij zijn zwerfkatten.”: zei de poes. “Willen jullie anders meekomen naar ons kamp?”: vroeg Slang. De poes knikte. De kittens sprongen op de rug van hun vader. De clankatten gingen hen voor. “Zozo, de Sneeuwstam heeft nieuwe leden zo te zien..”: murmelde iemand van achter de omgevallen boomstam.

“Sneeuw!”: riep Slang. Sneeuw kwam haar hol uit en keek naar de vijf nieuwe katten. “Slang, wie…”: slang liet Sneeuw niet uitspreken. De stamkatten die in het kamp waren, zetten hun vachten overeind en sisten naar de nieuwkomers. “Dit zijn twee zwerfkatten die we gevonden hebben, ze hebben ook drie kittens.”: zei Slang. “Jullie kunnen deze nacht hier overnachten.”: zei Sneeuw. De poes knikte. Lelie kwam de kittenkamer uitgestuiterd. “Wie ben jij?”: vroeg ze aan het zwart met witte katertje. “Ik ben Adelaar, en jij?” “Ik ben Lelie.” Varen kwam naast haar dochter staan. “Hallo…” “IJzel.” “Hallo, IJzel. Je kan vannacht met je kits bij mij in de kittenkamer slapen als je dat wilt.” “Dat is heel aardig…” “Varen.” IJzel glimlachte. “Hoe oud zijn jouw kits?”: vroeg IJzel. “Lelie is nu anderhalve maan oud en de andere kits zijn 6 dagen oud.” IJzel deed haar mond verbaasd open, maar de blik die Varen haar toewierp zorgde ervoor dat ze zich bedacht. Ze had wel een idee waarom. Waarschijnlijk was Lelie een pleegdochter van Varen. “Mijn kits zijn ook anderhalve maan oud.” De twee poezen liepen al babbelend weg. Lelie en de kits van IJzel volgden hun moeders naar de kittenkamer. “Zo Sneeuw, ik wil je even bedanken dat we mogen overnachten. Mijn naam is Gras trouwens.”

Hoofdstuk 5

De katten in het kamp begonnen stilaan te ontwaken. Het was namelijk tijd voor de zonsopgang patrouille. Gras stond op en liep naar Slang. “Ik kan meehelpen met jagen of meegaan op grenspatrouille.”: stelde hij voor. Slang zag Sneeuw vanuit de schaduwen knikken. “Oké, Gras, je mag mee op grenspatrouille met mij en Spreeuw.” Slang verdeelde de andere patrouilles. “Sneeuw!”: riep iemand. Sneeuw draaide zich om en stond tegenover Varen. “Wat kan ik voor je doen, Varen?” “Ik wil je iets vragen, Sneeuw.” Sneeuw gebaarde Varen dat ze haar moest volgen naar haar hol. “Ga zitten.” “Kijk, Sneeuw, je bent nog jonger dan mij en jij voelt dat misschien nog niet omdat je zelf nog geen kittens gehad hebt, maar je kan IJzel en haar kits niet wegsturen. Ze gaan de tocht sowieso niet overleven! Ze hebben een thuis nodig! We hebben tijdens de stamvergadering enkele regels besprongen. Eén van die regels was dat een kitten nog geen snorhaar gekrenkt mag worden. Wel dan!?” Sneeuw was een beetje geschrokken van de vurigheid in Varens stem. “Ik zal overleggen met Klimop en Slang.”: antwoordde Sneeuw. Varen knikte en liep het hol uit.

“Sneeuwstam! Verzamelen!”: riep Sneeuw. “Ik, Slang en Klimop hebben een besluit genomen. Gras en IJzel, als jullie willen, mogen jullie lid worden van de Sneeuwstam.” Gras en IJzel keken elkaar aan en zeiden toen. “Graag.” De stam liep op hun nieuwe stamgenoten af en heette hen welkom. “Nu ben je mijn stamgenootje!”: piepte Lelie tegen Adelaar. Ze sprong op en neer van blijdschap. Adelaar keek haar blij aan. Hij liep op haar af. Lelie gooide plotseling een balletje mos de lucht in. Het viel voor Adelaars poten op de grond. “Waarom deed je dat?”: vroeg hij. “We kunnen toch mosbal spelen?”: piepte Lelie. “Mosbal?”: vroeg Marter. “Gaan we het voortonen, Lelie?”: vroeg Varen. Lelie knikte. Ze gingen rechtover elkaar staan en zorgden ervoor dat het mos de grond niet raakte. “Ik snap het.”: zei Berg. Varen gooide het balletje naar Berg. Berg sloeg het behendig naar Lelie. Lelie sloeg het dan weer naar Marter en Marter sloeg het dan weer naar Adelaar. Zo ging het spelletje door. “IJzel, Gras, morgen mogen jullie je proef afleggen, zo kunnen we zien wie welke functie krijgt; jagen of vechten.”: zei Slang. De nieuwe leden van de Sneeuwstam knikten. “Maar we roken ook de geur van andere katten. Wie zijn dat dan?”: vroeg IJzel. “Dat is de Wilgstam.”: zei Sneeuw met iets van woede in haar stem. “Hoeveel stammen zijn er?”: vroeg Gras. “Twee.”: antwoordde Spreeuw. “Wij woonden in het bos toen we aangevallen werden door honden. We klommen de bomen in. Glow overleefde het niet. Toen trokken we verder. Het was niet gemakkelijk met Varen en Nacht, ze waren namelijk allebei hoogzwanger. We kwamen aan bij een oude schuur. Daar bood Schim ons onderdak aan. Uiteindelijk kwamen we hier aan. Ik en mijn zus Wilg kregen ruzie. Daardoor zijn er nu twee stammen. Jullie waren ongeveer aan de grens toen we jullie vonden.”: zei Sneeuw. “Hoe kan één ruzie alles zo veranderen?”: vroeg IJzel. “Het klikte niet altijd zo goed tussen mij en Wilg. We waren goede vrienden en natuurlijk zussen, maar er was altijd iets… raars. Altijd verstoorde iets het en kregen we ruzie. Dit was de druppel en daardoor bestaan er twee stammen.”: antwoordde Sneeuw. Spreeuw streelde met haar staart over de flank van Sneeuw.

“Oké. Slang en Spreeuw, jullie beoordelen Gras, Krekel en Snel beoordelen IJzel.”: zei Sneeuw. “Mag ik Vos meenemen om kruiden en bessen te verzamelen?”: vroeg Klimop. Sneeuw knikte. “Lijster, IJzel en Gras blijven in het bos dus ga jij anders maar even op de heide jagen. Ik zal met je meegaan.”: zei Sneeuw nog. “Varen, jij bewaakt het kamp?” De grijze poes knikte en dreef de vier kittens weer naar binnen. Ze ging bij haar jongere kittens liggen. Ze schrok zich rot toen ze zag dat hun oogjes open waren. Ze likte hen teder over hun hoofdjes. Lelie en Berg rolden over de grond terwijl dat Adelaar Marter besloop zonder dat die ook maar iets doorhad.

Sneeuw en Lijster hadden al drie konijnen gevangen. Ze waren op weg naar het kamp toen ze plotseling iets hoorden. “Zo zo, de Sneeuwstam heeft genoeg prooi zo te zien.”: zei Wilg. Sneeuw stapte door en negeerde Wilg volledig. Wilg siste naar Sneeuw en liep toen de heuvel weer op. Lijster keek de bruin gestreepte poes nijdig na.

IJzel deed het niet slecht tijdens het jagen, ze had al drie muizen gevangen. Krekel keek goedkeurend toe. “Oké IJzel, het is tijd voor je vechtbeoordeling. We moeten elkaar op de grond proberen drukken.” IJzel knikte. Plotseling sprong ze op Krekel af en wierp hem omver. Ze rolden samen over de grond. IJzel stond snel weer op haar poten. Ze probeerde Krekel weer onderuit te halen, maar deze keer mislukte het. Ze viel zelf op de grond. Krekel drukte haar tegen de grond maar IJzel kon zich uit zijn greep worstelen. Toen ze zich weer wou omdraaien, was ze te traag. Krekel haalde haar onderuit. “Wat denk jij, Snel.”: zei Krekel buiten adem. “Vechter.” “Dat dacht ik ook.” IJzel schudde de blaadjes uit haar vacht en knikte. “Geweldig.”: snorde ze.

IJzel kwam het kamp binnen. Sneeuw sprong net op de hoop stenen voor een oproep. “Beste Sneeuwstam. We hebben twee nieuwe Vechters in de stam!”: zei Sneeuw. De stam begon te juichen. Iedereen feliciteerde IJzel en Gras. “Ik heb al twee nesten klaargemaakt in het krijgershol.”: zei Klimop. De stam sloot de dag af met een vers stuk prooi, daarna begaf iedereen zich naar zijn hol. Sneeuw kon maar niet in slaap geraken. Ze verliet haar hol en liep het bos in. Sneeuw liep de heide op en ging zitten aan de rivier. Ze spitste haar oren en luisterde naar het kabbelen van het stromende water. Ze sloot haar ogen en dacht na. Sneeuw dacht na over alles wat er gebeurt was. De ruzie met Wilg, de nieuwe vechters, de nieuwe kittens en … Plotseling vlogen haar ogen open. Toen ze naar de heuvel keek, zag ze daar in de verte een kat staan. Ze kon niet zien wie het was, maar ze wist één ding: deze kat keek naar haar en was ook op zoek naar haar.

Sneeuw kwam tegen de dageraad terug het kamp binnen. Spreeuw kwam op haar afgestormd. “Alles in orde? Waar was je? Ik was doodongerust!”: mauwde Spreeuw. “Rustig Spreeuw, ik ben in orde, ik was gewoon in het bos.” Toen zag Spreeuw het konijn aan Sneeuws poten liggen. “Mooie vangst.”: murmelde ze. Sneeuw likte haar vriendin tussen haar oren. “Goedemorgen Sneeuw. Heb je iets opgemerkt op ons territorium?”: vroeg Slang. “Nee, Slang, ik heb niks gemerkt, alles was volkomen normaal.”: melde Sneeuw. Plotseling verstijfde Sneeuw. Net voordat Sneeuw iets kon zeggen, kwam Nacht het kamp binnen. “Gegroet Sneewstam.”: zei de poes. Spreeuws nekharen kwamen overeind. Varen en IJzel gingen beschermend voor de kittenkamer staan met rechtopstaande vachten en uitgeslagen klauwen. “Ik ben alleen en ik kom in vrede.”: zei Nacht. “Zeg wat je te vertellen hebt, Nacht.”: siste Varen. “Ik kreeg een idee, er moet toch eens een dag zijn dat we in vrede kunnen leven?”: vroeg Nacht. “Waarom houden we elke dag na de halve maan niet een kittenbijeenkomst? Kittens die vier manen of ouder zijn, mogen naar de bijeenkomst komen. Op die dag kunnen we dan die wisseling doen. Dat de vechters hun jaagtechnieken trainen en de jagers hun vechttechnieken.” Sneeuw hoefde de stam al niet meer te roepen. Iedereen was al uit zijn hol gekomen. “Ik vind het eigenlijk wel een goed idee, ook al komt het van een kat van de Wilgstam.”: zei Lijster. Sneeuw knikte. “Oké, dat is goed voor ons.” Nacht knikte en verliet het kamp. Spreeuw liet haar vacht zakken. “Moeten we echt bij die schurftige katten gaan?”: vroeg Lelie. Slang grijnsde. “Ja liefje, dat moet.” Lelie zuchtte.

Hoofdstuk 6

Sneeuw kwam glijdend tot stilstand. Dit deel van de heide had ze nog nooit gezien. “Alle muizen nog aan toe! Een meer!”: krijste Vos. “Het Sneeuwmeer!”: riep Lijster. Sneeuw keek naar het gigantische meer. “Het Sneeuwmeer en de Maanheuvel...”: murmelde ze. Ze stormde terug naar het kamp en vertelde het aan Slang. “Dat is geweldig!”: riep hij uit. Lelie kwam naast haar vader staan. “Geweldig! Ik kan niet wachten totdat ik leerling ben!” “Oké, Sneeuwstam! Ik stel voor dat we naar de Maanheuvel gaan, daar kunnen we de wisseling houden.”: zei Sneeuw. De stam knikte en volgde hun leider het kamp uit.

De Sneeuwstam kwam aan bij de Maanheuvel. “Oké! Alle vechters mogen op jacht gaan! Ga in groepjes! Slang en Krekel gaan samen en Spreeuw en Gras gaan samen!”: riep Sneeuw. Ze wachtte totdat de vechters vertrokken waren. “Jagers, wij gaan tegen elkaar vechten! De bedoeling is - zoals bij de beoordeling - dat je de ander tegen de grond kunt krijgen. Ik en Snel gaan vechten en Vos en Lijster. Klimop, jij mag straks tegen de winnaar van het gevecht tussen Vos en Lijster.” Sneeuw en Snel gingen tegenover elkaar staan. Plotseling voelde Sneeuw dat ze omhoog moest kijken en daar, op de Maanheuvel, zag ze een kat staan. Plotseling was de kat verdwenen. Snel en Sneeuw liepen om elkaar heen. Sneeuw sprong op en landde achter Snel. Ze draaide zich om en besprong Snel. Ze had haar klauwen natuurlijk niet uitgeslagen. Snel sprong op en Sneeuw viel op de grond. Hij sprong op haar af maar Sneeuw rolde opzij en duwde Snel met haar achterpoten weg. Die rolde aan de kant. Nog voordat hij op kon staan, stond Sneeuw al naast hem en hield hem tegen de grond gedrukt. “Je bent altijd al een goede vechter geweest, Sneeuw.”: zei Snel. “Dank je, Snel.” Ze zagen nog net hoe Vos Lijster tegen de grond drukte. “Oké. Snel en Lijster en Vos en Klimop mogen nu vechten.” Sneeuw dacht terug aan het begin van het gevecht. Ze had een kat op de Maanheuvel zien staan. Sneeuw schrok toen Spreeuw een vink naast haar op de grond liet vallen. “Mooie vangst, Spreeuw.”: zei Sneeuw.

Het begon al te schemeren toen de Sneeuwstam terug in hun kamp aankwam. Ze legden de gevangen prooi in de kuil. Ook namen ze allemaal een stuk prooi om op te eten. Lelie en Berg waren aan het praten toen Marter bij hen kwam zitten. Sneeuw keek naar dit vredige tafereel. Iedereen was gelukkig.

Sneeuw zat op de Maanheuvel een keek naar het bos. Het was een heldere nacht. Sneeuw was in gedachten verzonken. “Eindelijk heb ik je gevonden.”: zei een stem achter haar. Ze draaide zich om. “Droom ik of ben je echt?”: vroeg Sneeuw aan de kat. “Je droomt niet. Ik ben echt.”: snorde hij. Sneeuw drukte haar neus tegen die van hem. “Ik heb je zo gemist.”

Sneeuw trippelde het kamp binnen. De kat volgde haar. “Ik kan mijn ogen niet geloven!”: krijste Spreeuw. Spreeuw had iedereen wakker gemaakt met haar geroep. De stam ontwaakte en kwam rondom Sneeuw en de kater staan. “Hoe heb je ons gevonden, Duister?”: vroeg Slang. “Ik heb jullie met veel geluk gevonden.”: zei Duister. IJzel, Gras, Adelaar, Marter en Berg kwamen bij Duister staan. “Hallo Duister, ik ben Gras, dit is mijn partner IJzel en dit zijn mijn kittens; Adelaar, Marter en Berg.” “Gegroet.”: zei Duister. “Wil je iets eten, Duister?”: vroeg Sneeuw. Duister knikte. Nu de stam toch wakker was, konden ze even goed patrouilleren en jagen. De stamkatten vertrokken stilaan. Het werd stil in het kamp. “Waarom ben je ons achterna gegaan?”: vroeg Klimop. “Omdat ik voelde dat ik bij jullie gelukkig zou zijn. Ergens wist ik dat ik bij jullie moest komen.” Duister wierp ondertussen een blik op Sneeuw.

De dag ging snel voorbij. Duister hoorde over de gebeurtenissen met Wilg. Hij werd rondgeleid in het kamp. lelie had de rondleiding gegeven. Duister was niet de enige die een rondleiding kreeg. Hert, Kastanje en Schram hadden de rondleiding door het kamp namelijk ook bijgewoond. Varen en Slang hadden trots toegekeken. Iedereen keek met stralende ogen naar de kleine kittens. Sneeuw en Duister speelden met de kleine kittens. Spreeuw keek grijnzend toe vanaf de steen waar ze op lag te zonnen. Sneeuw en Duister hadden veel plezier. Ze speelden mosbal.

De volgende dag waren Spreeuw en Sneeuw samen op patrouille. “Zo Sneeuw. Je maakt iemand heel gelukkig in de stam.”: zei Spreeuw. Sneeuw lachte. “Hij maakt mij ook heel gelukkig.” Spreeuw knikte. Sneeuw keek haar vriendin met samengeknepen ogen aan. “Spreeuw, moet je…” “Ik ben zwanger!”: flapte Spreeuw eruit. “Dat is fantastisch! Wie is de vader?”: vroeg Sneeuw. “Krekel.” “Ooh, ik ben zo blij voor je!” Sneeuw likte Spreeuw over haar hoofd. “Weet hij het al?” Spreeuw schudde haar kop. In de verte - buiten gehoorsafstand - zagen ze Krekel lopen. “Ik laat jullie wel even alleen.”: zei Sneeuw. Spreeuw keek haar vriendin na. Ze stapte op Krekel af en ging naast hem lopen. Krekel verstrengelde zijn staart met die van haar. “Wat denk jij eigenlijk van kittens?”: vroeg Spreeuw. “Kittens zijn fantastisch, vooral als ze op jou lijken.”: zei Krekel. “Meen je dat.”: vroeg Spreeuw. Hij knikte. “Dan heb je geluk, ik ben zwanger!”: riep Spreeuw uit. Krekel keek haar verbaasd aan maar begon haar meteen te likken. “Ooh Spreeuw! Dat is geweldig nieuws!”

Duister en Sneeuw zaten aan de oever van de rivier. Ze staarden naar het water dat zilver oplichte in het licht van de maan. Het water leek wel zilver. “Heb ik er verkeerd aan gedaan door de ruzie niet op te lossen?”: vroeg Sneeuw. “Nee, Sneeuw. Je hebt de juiste keuze gemaakt. Kijk hoe gelukkig iedereen is. De stam is sterk. we hebben zeven kittens in de clan en Spreeuw is ook nog eens zwanger. Je bent nog maar 24 manen oud.”: zei Duister.

Wilg liep door het sparrenbos. Ze hoorde het geritsel van bladeren. Wilg keek naar de dichtstbijzijnde struik. Ze sloop dichterbij. Ze sprong achter de struik en lande op iets grijs. Het was een kater. Ze rolden om en om en kwamen tot stilstand tegen een boom. Wilg lag onder de kater. Toen ze haar ogen opende, herkende ze de kater meteen. De kater ging van haar af en schudde zich uit. “Jij hebt me van de vos gered!”: riep Wilg uit. “Dat klopt.” “Waarom heb je me gered?”: vroeg ze. “Omdat ik het prettig vind katten dood te zien gaan in de strijd tegen een vos.”: snauwde de kater sarcastisch. Wilg grijnsde. “Ik ben Boom.” “Ik ben Wilg, leider van de…” “Wilgstam, ik weet het.” Wilg keek de kater verrast aan. “Ik en mijn zus Merel komen ons aansluiten bij de Wilgstam.” Op dat moment sprong er een bruine poes tevoorschijn.

Duister sloop door het bos. Hij had al twee lijsters gevangen. Hij zag een eekhoorn zitten. Duister sloop op het beestje af. Het beestje schrok op doordat Duister met zijn staart langs een varenblad streek. De eekhoorn schoot de boom in, maar Duister gaf het niet zomaar op. Hij sprong het beestje achterna. Duister kon met zijn poot de staart van de eekhoorn grijpen. Hij beet het beestje en nam het toen op om bij zijn andere prooi te gaan begraven. Verder ging zijn jachtbeoordeling heel erg goed. Hij moest vechten tegen Krekel. Duister verloor uiteindelijk wel, maar hij had heel goed gevochten. Krekel en Snel waren aan het overleggen. “Gefeliciteerd Duister! Je krijgt de functie van jager!”

Varen liep met Lelie langs de oever van de rivier. Lelie was nu vier manen oud. De Wilgstam had twee nieuwe vechters; Boom en Merel. Het begon harder en harder te regenen. “Laten we terug naar het kamp gaan.”: zei Varen. Varen wou zich omdraaien, maar plotseling gleden haar poten onder haar weg. Ze rolde de oever af en viel de rivier in. “Mama!”: gilde Lelie.

Hoofdstuk 7

Varen viel plotseling in ijskoud water. Ze probeerde om naar de oppervlakte te zwemmen, maar de stroom was te sterk. Ze bleef proberen maar gaf het toen op. Ze sloot haar ogen en liet zich meevoeren met de stroom.

Boom keek naar zijn zus. Ze was aan het praten met Poel. Dat was al niet zo speciaal meer. Ze waren namelijk partners. Merel en Boom waren nog maar 2 manen bij de stam. Boom had nog geen partner en dat vond hij maar goed ook. Hij had geen behoefte aan een partner of aan kittens. Maar daar dachten andere katten anders over. Veer is namelijk in verwachting van Vogels kittens. Ze gaat over een maan bevallen. Merel kwam naast haar broer zitten. Boom keek naar Vogel die met een eekhoorn naar de kittenkamer liep. “Ik snap niet waarom iemand behoefte heeft aan kittens.”: zei Boom. “Vogel houdt van Veer! Als je van iemand houdt, dan maakt niets nog uit! Het enige wat je dan nog wilt, is bij hem of haar zijn. Je gaat door het vuur voor hem of haar. Niks kan jullie uit elkaar halen. Dat broer, dat is liefde!”: snauwde zijn zus hem toe.

Varen knipperde haar ogen open. Ze lag doorweekt op de oever van de rivier. Ze zag een kat naast haar staan. “Lelie?”: vroeg ze. “Nee Varen.”: antwoordde de kat. Varen herkende haar meteen. “Glow!”: riep ze uit. “Wees gerust Varen, ik ben in de Hemelstam.” “De Hemelstam?”: vroeg Varen. “Dat leg ik later wel uit.”: antwoordde Glow. “Ik heb je gered uit het water. Varen, jouw tijd is nog niet gekomen. Jouw jongen hebben je nodig.”: zei Glow voordat ze verdween.

Varen kwam het kamp doorweekt binnen. “Varen! Wat is er gebeurd!”: riep Slang. Varen vertelde het aan iedereen. Plotseling was er een enorme lichtflits. Op de hoop stenen stond Glow! Iedereen keek Glow verward aan. “Gegroet Sneeuwstam. Ik heb Varen uit het water gered. Ik waak over jullie allemaal. Ik ben nu in de Hemelstam. Vandaar waak ik over jullie. Kijk maar naar de sterren, dan zie je mij. Als er iemand sterft, dan komt die bij mij. Ik heb ook ontdekt dat ik boodschappen kan sturen naar de stamleiders en naar de hoofdmoeders.” Voordat iemand ook maar iets kon zeggen, was Glow verdwenen.” “Ik zal je nooit vergeten, Glow!”: riep Varen. Ze voelde een vacht langs de hare strijken en hoorde dat Glow in haar oor fluisterde: “Ik zal op je wachten, maar nu nog niet. Het is nog te vroeg. Ik ben daar met Bries. Zij zorgt voor me. Ze wachtte me op.”

Sneeuw zette haar vacht overeind toen ze rook wie het kamp naderde. Kennelijk had de rest van de stam het ook geroken want iedereen kwam uit zijn hol met rechtopstaande vacht. Wilg kwam het kamp als eerste binnen. “Kan ik je even spreken, Sneeuw?”: zei Wilg. “Ik heb geen geheimen voor mijn stam.”: siste Sneeuw terug. Wilg keek haar zus kwaad aan. Wilg, Boom, Rat en Licht staken de grens over. Ze hadden nog maar een paar meter afgelegd toen ze achter hen gesis hoorden. “Wat doen jullie op ons territorium?”: snauwde Gras. Hij kwam met rechtopstaande vacht uit de schaduwen. Krekel en Slang kwamen achter Gras aan. “Is de Sneeuwstam zo wanhopig dat ze zwervers opneemt?”: siste Rat. “Is de Wilgstam zo bang voor ons dat ze zwervers opnemen?”: kaatste Gras terug. “Genoeg!”: riep Licht. Iedereen keek haar aan. “We begeleiden jullie naar het kamp.”: snauwde Slang.

Sneeuw zette haar vacht overeind toen ze rook wie het kamp naderde. Kennelijk had de rest van de stam het ook geroken want iedereen kwam uit zijn hol met rechtopstaande vacht. Wilg kwam het kamp als eerste binnen. “Kan ik je even spreken, Sneeuw?”: zei Wilg. “Ik heb geen geheimen voor mijn stam.”: siste Sneeuw terug. Wilg keek haar zus kwaad aan. “Glow is bij ons langs geweest en ze vertelde ons over de Hemelstam.”: zei Wilg. “Bij ons is ze ook langs geweest.”: siste Sneeuw. Wilg liet haar blik over de Sneeuwstamkatten glijden. Ze liet haar blik op Duister rusten. Daarna viel haar oog op Spreeuw. Ze voelde een steek van woede en verdriet. Spreeuw had het niet nodig gevonden om haar te vertellen dat ze zwanger was. Aan de blik die Krekel op Spreeuw wierp, kon ze afleiden dat hij de vader was. Daarna zag ze Hert, Kastanje en Schram. Kastanje en Schram waren aan het spelen met elkaar. Hert keek Wilg recht in de ogen. Ook al was Hert nog maar een kitten, toch liepen de rillingen over haar rug. Wilg voelde gewoon dat ze op moest passen voor deze kitten.

Spreeuw liep terug naar de kittenkamer en plofte daar neer. Berg kwam naast haar zitten. Ze opende haar mond al om iets te zeggen tegen de hoogzwangere poes, maar kon niks uitbrengen doordat Marter haar besprong. Hert en Schram rolden over de grond. Kastanje, Adelaar en Lelie speelden mosbal. Klimop had gezegd dat ze veel moest rusten, maar dat is zo goed als onmogelijk voor Spreeuw.

De Sneeuwstam was dolgelukkig. Spreeuw was bevallen van vijf kittens! Twee poesjes: Twijg en Rivier en drie katertjes: Valk, Modder en Reiger. Krekel en Slang hadden lang gewerkt om de kittenkamer groter te maken. Omdat het zo krap werd in de kittenkamer, was er besloten dat Lelie, Adelaar, Marter en Berg leerlingen zouden worden. Ze waren nu al ongeveer 5 manen, maar waren er alle vier klaar voor.

“Vanavond benoemen we onze eerste leerlingen! Lelie! Jij zal getraind worden door mij! Adelaar, jij zal getraind worden door Snel. Berg, jij zal getraind worden door Varen en Marter, jij zal getraind worden door Krekel.” De stam begon te juichen en feliciteerde hun nieuwe leerlingen.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.